‘Hier ben Ik’ komt eraan

4e week van de Advent

De lezing van vandaag is het begin van de 4e profetie van Jesaja over de Knecht des Heren (Tekst voor Tekst, 1987, Zoetermeer). De komende dagen naar Kerst lezen we uit Jesaja, donderdag onderbroken door Psalm 2. In deze blog neem ik Jesaja 51, 17-52, 12 als uitgangspunt.

Jes. 51, 17-23 (gisteren)
Word wakker, word wakker, Jeruzalem, sta op! De HEER heeft je laten drinken uit de beker van zijn toorn; je hebt uit die kelk gedronken, de beker die je zo heeft bedwelmd tot de bodem leeggedronken. Er is niemand die je leidt, geen van de kinderen die je hebt gebaard; niemand die je bij de hand neemt, geen van de kinderen die je hebt grootgebracht. Dubbel ongeluk heeft je getroffen: verwoesting en rampspoed – wie zal je beklagen? honger en geweld – wie zal je troosten? Je kinderen zijn bezweken; als een antilope gevangen in een net, zo liggen ze op elke straathoek, overweldigd door de toorn van de HEER, verlamd door de dreiging van je God. Daarom, luister hiernaar, ongelukkige, jij die beschonken bent, maar niet door de wijn. Dit zegt je God, de HEER, de God die het opneemt voor zijn volk: Ik neem de bedwelmende beker uit je hand, de kelk, de beker van mijn toorn, je hoeft er niet meer uit te drinken. Ik geef hem aan hen die jou kwelden, die je het bevel gaven: ‘Ga liggen, dan lopen we over je heen!’ En je maakte je rug als de grond, een weg waarover men kon gaan.

Jes. 52, 1-6 (vandaag)
Ontwaak, ontwaak, Sion, en bekleed je met je kracht! Bekleed je met je pronkgewaad, Jeruzalem, heilige stad. Nooit meer zul je worden betreden door wie onbesneden is, of onrein. Klop het stof van je af en sta op, Jeruzalem, neem plaats op de troon. De ketenen om je hals zijn losgemaakt, gevangen vrouwe Sion. Want dit zegt de HEER: Voor niets zijn jullie verkocht, zonder geld koop ik jullie weer vrij. Dit zegt God, de HEER: Ooit trok mijn volk naar Egypte om daar als vreemdeling te leven, maar in Assyrië werd het zonder meer uitgebuit. Wat win ik daar nu bij? – spreekt de HEER. Voor niets is mijn volk weggenomen, hun leiders weeklagen – spreekt de HEER –, dag in dag uit wordt mijn naam bezoedeld. Daarom, op die dag, zal mijn volk mijn naam kennen, beseffen dat ik het ben die zegt: ‘Hier ben ik.’

Jes. 52, 7-12 (1e Kerstdag)
Hoe welkom is de vreugdebode die over de bergen komt aangesneld, die vrede aankondigt en goed nieuws brengt, die redding aankondigt en tegen Sion zegt: ‘Je God is koning!’ Hoor! Je wachters verheffen hun stem, samen barsten ze uit in gejuich, want ze zien het met eigen ogen: de HEER keert terug naar Sion. Breek uit in gejubel, ruïnes van Jeruzalem, want de HEER troost zijn volk, hij koopt Jeruzalem vrij. De HEER ontbloot zijn heilige arm ten overstaan van alle volken, en de einden der aarde zien hoe onze God redding brengt. Weg! Ga weg! Ga daar weg! Raak niets aan dat onrein is. Jullie die het heilige gerei van de HEER dragen, ga daar weg en blijf rein. Maar jullie hoeven niet overhaast te gaan, jullie vertrek is geen vlucht, want de HEER gaat voor jullie uit, de God van Israël vormt je achterhoede.

Advent
Jesaja spreekt over de redding die ons is aangezegd door God die zijn naam eer aan doet: ‘Hier ben Ik!’ In een wereld vol duisternis wordt ons een altijd brandend licht aangekondigd, in een wereld vol dood en ellende wordt ons leven en geluk toegezegd, in een wereld vol oorlog en onmin, wordt ons een vrede beloofd die door geen oorlog kan worden tegengehouden. We mogen ons verheugen in zo’n God.

Het afgelopen jaar was voor veel van ons een jaar om snel achter ons te laten; verdriet en eenzaamheid, rouw en lijden. Het Kerstverhaal spreekt ons aan in ons verlangen naar licht, ons verlangen naar leven en ons verlangen naar vrede. Dat we, zittend op de puinhopen van ons leven, niet bij de pakken neerzitten en blijven geloven in dat visioen van vrede dat Jesaja ons aankondigt en in God die aanwezig wil zijn in ons leven en die ons menselijk nabij gekomen is in Jezus het Kind ons gegeven als Redder en Heer.

Een troostende en ons bemoedigende God is Hij

4e zondag van de Advent

Vandaag staat Jesaja51, 1-8 op het leesrooster NBG en morgen Jesaja 51, 9-16. Volgens Tekst voor Tekst (1987, Zoetermeer) omvat dit gedeelte als boodschap van heil: Ik ben het die troost.

Jes. 51, 1-8 (zondag)
Luister naar mij, jullie die gerechtigheid najagen, jullie die de HEER zoeken. Kijk naar de rots waaruit je gehouwen bent, naar de diepe groeve waar je gedolven bent. Kijk naar Abraham, jullie vader, naar Sara, die jullie heeft gebaard; toen ik hem riep was hij alleen, maar ik heb hem gezegend en talrijk gemaakt. De HEER troost Sion, hij biedt troost aan haar ruïnes. Hij maakt haar woestenij aan Eden gelijk, haar wildernis wordt als de tuin van de HEER. Het zal een oord zijn van vreugde en gejuich, waar muziek en lofzang klinken. Mijn volk, luister aandachtig naar mij, mijn natie, leen mij je oor. De wet vindt zijn oorsprong in mij, en mijn recht zal een licht zijn voor alle volken. In een oogwenk breng ik de zege nabij, de hulp die ik bied is al onderweg; ik zal krachtig rechtspreken over de volken. De eilanden hebben hun hoop op mij gevestigd, ze zien uit naar mijn krachtig optreden. Kijk omhoog naar de hemel, kijk naar de aarde beneden: al vervliegt de hemel als rook, al valt de aarde uiteen als een oud gewaad en sterven haar bewoners als muggen, de redding die ik breng, zal voor altijd blijven en mijn recht zal geen einde hebben. Luister naar mij, jullie die mijn gerechtigheid kennen, volk dat mijn wet in het hart draagt. Wees niet bang voor de hoon van mensen, stoor je niet aan hun spot. Want ze vergaan zoals een gewaad door motten, zoals wol door mottenlarven. Maar mijn gerechtigheid zal voor altijd blijven, de redding die ik breng, duurt van geslacht op geslacht.

Jes. 51, 9-16 (maandag)
Ontwaak, ontwaak, arm van de HEER, en bekleed u met kracht! Ontwaak als in de dagen van weleer, als in lang vervlogen tijden. Was u het niet die Rahab vermorzelde, die het monster doorboorde? Was u het niet die de zee drooglegde, het water in de diepte, die een weg baande op de bodem van de zee waarover het verloste volk kon gaan? Wie door de HEER zijn bevrijd, keren terug. Jubelend komen zij naar Sion, gekroond met eeuwige vreugde. Gejuich en vreugde trekken de stad binnen, gejammer en verdriet vluchten eruit weg. Ik, ik ben het die jullie troost. Hoe kun je dan bang zijn voor een sterveling, voor een mensenkind dat vergaat als gras? Hoe kun je de HEER vergeten, die je gemaakt heeft, die de hemel heeft uitgespannen en de aarde gegrondvest? Hoe kun je je zo laten beheersen door angst voor de toorn van je belagers, voor hun pogingen je te vernietigen? Waar blijven die belagers met hun toorn? Weldra wordt de geketende bevrijd; hij zal niet sterven, niet afdalen in het graf, het zal hem aan niets ontbreken. Ik, de HEER, jullie God, die de zee opzweep, zodat de golven bruisen, wiens naam is HEER van de hemelse machten, ik leg je mijn woorden in de mond en bescherm je met de schaduw van mijn hand, ik die de hemel geplant heb en de aarde gegrondvest, die tegen Sion zeg: ‘Mijn volk ben jij.’

Advent
De profeet Jesaja richt zich tot hen die gerechtigheid najagen en de Heer zoeken. Als mensen op weg naar de viering van het Kerstfeest mogen wij ons tot de aangesprokenen weten. Er wordt ons in herinnering gebracht: de rots waaruit wij gehouwen zijn. Daarbij worden Abraham en Sarah genoemd en hoe God Sion getroost heeft. De geschiedenis van God met zijn volk laat zien hoe God trouw is aan zijn belofte en hoe Hij zijn volk troostend nabij is. God spreekt ons moed in en herhaald zijn belofte: ‘De wet vindt zijn oorsprong in mij, en mijn recht zal een licht zijn voor alle volken. In een oogwenk breng ik de zege nabij, de hulp die ik bied is al onderweg.’ En: ‘Wees niet bang voor de hoon van mensen, stoor je niet aan hun spot. Want ze vergaan zoals een gewaad door motten, zoals wol door mottenlarven. Maar mijn gerechtigheid zal voor altijd blijven, de redding die ik breng, duurt van geslacht op geslacht.’
Wij zien uit naar de wederkomst van Christus. We vieren straks het geboortefeest, de komst van God op aarde in Jezus de Christus. We mogen vasthouden aan de belofte van God en Zijn trouw aan ons beantwoorden met ons ja-woord, zoals Maria dat eens gedaan heeft op de vraag van God om moeder te worden van de Heer.

Ook de lezing van morgen brengt de grote heilsdaden van God in herinnering en spreekt ons moed in niet te vrezen en ons leven toe te vertrouwen aan de Roepende in het Komen van de Heer.