Onderweg naar Emmaüs

Emmaüsgangers (Zr. Lucia)

Lucas 24, 13-35; verhaal van de Emmaüsgangers.

Dit evangelie raakt aan iets wezenlijks. Het raakt aan het verlangen naar lente, het verlangen naar nieuw leven bij vermoeide en teleurgestelde mensen. Het verlangen naar de aanwezigheid en de werkzaamheid van de Verrezene in ons leven, in ons bestaan. Het wel of niet kunnen uitbreken uit het fatalistische gevoel na de kruisdood van Jezus. “Wij leefden in de verwachting dat Hij het was die Israël zou verlossen, dat Hij een doorbraak zou brengen.” Leefden in de verwachting dat…, dus deze verwachting was er niet meer!

Is de Heer wel aanwezig in dit harde bestaan? Wij hebben Hem zo nodig!
De Emmaüsgangers zijn wij nu. En waar hebben zij, waar hebben wij, het over?
“Hun ogen waren verhinderd Hem te herkennen.” Twijfel! De trieste zekerheid, ‘het is over’, overviel hen. We kunnen hooguit nog het gedachtegoed bewaren, maar eigenlijk is het over.

De laatste Paasboodschap van paus Johannes Paulus II – was: blijf bij ons Heer, want we hebben U zo nodig.  Kard. Danneels zei over deze paus: die veelprater was door zijn ziekte het zwijgen opgelegd. Het meeste heeft hij toen gezegd. Blijf bij ons Heer, want wij hebben U zo nodig.  De Heer is bij de twijfelenden; zij die nog niet geloven, maar die wel met elkaar over Hem spreken en over alles wat hen is voorgevallen. De Heer is een toevallige vreemdeling die zich niet opdringt; Hij wilde verder gaan. Het komt er dus op aan dat wij bij Hém aandringen: blijf bij ons Heer want het wordt al avond. We hebben U nodig. We raken vermoeid.

En zij herkenden Hem aan het breken van het brood. En dat is niet alleen het eucharistische brood. Dat is ook het doen van het goede. En dan gaan hun de ogen open.
De Heer is en blijft een werkwoord.

Laten we samen verder trekken op onze levensweg, onze weg met de Verrezene, in het vertrouwen dat Hij ons niet alleen laat!