Iedereen is naar U op zoek!

Jezus geneest. Jezus drijft demonen uit. Het Rijk Gods is nabij, goed nieuws brengt Hij.

Iedereen is naar Hem op zoek! De mensen klampen zich wanhopig aan Jezus vast. Maar Hij gaat verder om te doen wat zijn God en Vader van Hem vraagt.

Wie zoekt Jezus vandaag nog? Klampt zich wanhopig aan Hem vast?

Wat blijft: Jezus geneest, Jezus drijft demonen uit, het Rijk Gods is in Hem nabij.

Laten we gaan – Hem achterna, niet wanhopig zoekend aan Hem vastgeklampt, maar in vertrouwen – Hem achterna!

Een nieuw begin

Gisteren heb ik naar de inauguratie van president Joe Biden gekeken. Ik was ontroerd door de plechtigheid en door de woorden die er klonken. Met deze nieuwe president klinkt er een nieuw geluid: een nieuw en hoopvol begin! En daartoe roept Biden ook op, om een nieuw begin te maken. De woorden die dit nieuwe kleuren zijn:

  • Luisteren naar elkaar
  • Elkaar horen, zien
  • Respect tonen
  • Niet elk meningsverschil is een aanleiding voor totale oorlog
  • Hou op met schreeuwen en breng de kalmte terug
  • De waarheid verdedigen en leugens verslaan
  • Eenheid

Natuurlijk zijn dit woorden en zal het niet eenvoudig zijn, maar de intentie is duidelijk en ontroerd mij. Op een bepaalde manier moest ik ook terugdenken aan het moment dat Jorge Bergoglio, als paus Franciscus, voor het eerst de mensen toesprak: niet vanuit macht, maar als een nederige dienaar. Beiden zijn mannen op leeftijd, in de ogen van veel mensen te oud om een dergelijke functie te vervullen. Naast oud zijn het echter vooral wijze mannen met levenservaring. En beiden zijn gelovige mensen, die het aandurven om nieuw te denken en bij wie het dienen voorop staat (niet de macht).  Ik denk dat wij dergelijke leiders nodig hebben om het visioen van vrede levend te houden en ook werkelijk stappen van vrede te kunnen zetten met elkaar. Dat begint met het zien en horen van de ander, met respect en de intentie de ander niet te beschadigen.

Geïnspireerd door Biden en Franciscus wil ook ik, op de plek waar ik leef en werk, mijn bijdrage leveren: staan voor de waarheid en voor de  ontmaskering van de leugen. Als ik in het boek ‘Navolging’ van Dietrich Bonhoeffer lees (en die lees ik), over de weg van de navolging van Christus, of in het Evangelie dan zie ik prachtige paralellen. Als christen ben ik blij met Joe Biden. Ik bid voor hem en wens hem Gods zegen toe in werk en leven en ik hoop dat velen met hem  dat nieuwe begin aandurven. Tot lof van God en tot zegen van de wereld.

God kan het niet alleen. Doe je mee?

De evangelielezing van vanmorgen laat Jezus als jongeman terugkeren naar zijn geboorteplaats. In de tempel leest Hij uit de profeet Jesaja:

‘De Geest van de Heer rust op mij, want hij heeft mij gezalfd.
Om aan armen het goede nieuws te brengen heeft hij mij gezonden,
om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken
en aan blinden het herstel van hun zicht,
om onderdrukten hun vrijheid te geven,
om een genadejaar van de Heer uit te roepen.’

(Lc. 4, 18-19; vgl Jes. 58, 6; 61, 1-2)

Na de lezing zegt Jezus: ‘Vandaag hebben jullie deze schrifttekst in vervulling horen gaan.’ (Lc. 4, 21b)

Jesaja 58, 1-14 gaat over het waarom van het uitblijven van Gods beloften. Het volk is teleurgesteld dat ze zo weinig van Gods aanwezigheid merken. De profeet vindt dat het volk zelf daar een eigen rol in speelt. (NBV Studiebijbel, Haarlem 2019, blz. 1130).

In onze tijd hoor ik vaak van mensen dat ze er niet meer in geloven, in die mooie beloftes van God. Ieder jaar vieren we kerstmis en de wereld blijft een grote ellende. Hoezo goed nieuws, hoezo vrijheid?

Jesaja wijst op het ware vasten en het echte dienen van God, zonder dat is geen heil te verwachten. (Tekst voor Tekst, Zoetermeer, 1987, blz. 452) Als geloven is verworden tot vorm, tot het doen van de gebeden en het op zondag naar de synagoge of kerk gaan, maar op ons dagelijkse doen en laten weinig of geen invloed heeft, dan blijft het inderdaad ellende, niet omdat God het laat afweten, maar omdat wij dat doen.

De lezing van vandaag roept mij op om daadwerkelijk mij in te zetten voor Gods Koninkrijk, dat Rijk waar de arme en de gevangene, de blinde en de onderdrukte bestaansrecht hebben en kunnen openbloeien. God kan het niet alleen. Ook wij mogen ons gezalfd weten als kinderen van de Heer en gaan om te doen wat Hij gedaan heeft. Doe je mee?

‘Hier ben Ik’ komt eraan

4e week van de Advent

De lezing van vandaag is het begin van de 4e profetie van Jesaja over de Knecht des Heren (Tekst voor Tekst, 1987, Zoetermeer). De komende dagen naar Kerst lezen we uit Jesaja, donderdag onderbroken door Psalm 2. In deze blog neem ik Jesaja 51, 17-52, 12 als uitgangspunt.

Jes. 51, 17-23 (gisteren)
Word wakker, word wakker, Jeruzalem, sta op! De HEER heeft je laten drinken uit de beker van zijn toorn; je hebt uit die kelk gedronken, de beker die je zo heeft bedwelmd tot de bodem leeggedronken. Er is niemand die je leidt, geen van de kinderen die je hebt gebaard; niemand die je bij de hand neemt, geen van de kinderen die je hebt grootgebracht. Dubbel ongeluk heeft je getroffen: verwoesting en rampspoed – wie zal je beklagen? honger en geweld – wie zal je troosten? Je kinderen zijn bezweken; als een antilope gevangen in een net, zo liggen ze op elke straathoek, overweldigd door de toorn van de HEER, verlamd door de dreiging van je God. Daarom, luister hiernaar, ongelukkige, jij die beschonken bent, maar niet door de wijn. Dit zegt je God, de HEER, de God die het opneemt voor zijn volk: Ik neem de bedwelmende beker uit je hand, de kelk, de beker van mijn toorn, je hoeft er niet meer uit te drinken. Ik geef hem aan hen die jou kwelden, die je het bevel gaven: ‘Ga liggen, dan lopen we over je heen!’ En je maakte je rug als de grond, een weg waarover men kon gaan.

Jes. 52, 1-6 (vandaag)
Ontwaak, ontwaak, Sion, en bekleed je met je kracht! Bekleed je met je pronkgewaad, Jeruzalem, heilige stad. Nooit meer zul je worden betreden door wie onbesneden is, of onrein. Klop het stof van je af en sta op, Jeruzalem, neem plaats op de troon. De ketenen om je hals zijn losgemaakt, gevangen vrouwe Sion. Want dit zegt de HEER: Voor niets zijn jullie verkocht, zonder geld koop ik jullie weer vrij. Dit zegt God, de HEER: Ooit trok mijn volk naar Egypte om daar als vreemdeling te leven, maar in Assyrië werd het zonder meer uitgebuit. Wat win ik daar nu bij? – spreekt de HEER. Voor niets is mijn volk weggenomen, hun leiders weeklagen – spreekt de HEER –, dag in dag uit wordt mijn naam bezoedeld. Daarom, op die dag, zal mijn volk mijn naam kennen, beseffen dat ik het ben die zegt: ‘Hier ben ik.’

Jes. 52, 7-12 (1e Kerstdag)
Hoe welkom is de vreugdebode die over de bergen komt aangesneld, die vrede aankondigt en goed nieuws brengt, die redding aankondigt en tegen Sion zegt: ‘Je God is koning!’ Hoor! Je wachters verheffen hun stem, samen barsten ze uit in gejuich, want ze zien het met eigen ogen: de HEER keert terug naar Sion. Breek uit in gejubel, ruïnes van Jeruzalem, want de HEER troost zijn volk, hij koopt Jeruzalem vrij. De HEER ontbloot zijn heilige arm ten overstaan van alle volken, en de einden der aarde zien hoe onze God redding brengt. Weg! Ga weg! Ga daar weg! Raak niets aan dat onrein is. Jullie die het heilige gerei van de HEER dragen, ga daar weg en blijf rein. Maar jullie hoeven niet overhaast te gaan, jullie vertrek is geen vlucht, want de HEER gaat voor jullie uit, de God van Israël vormt je achterhoede.

Advent
Jesaja spreekt over de redding die ons is aangezegd door God die zijn naam eer aan doet: ‘Hier ben Ik!’ In een wereld vol duisternis wordt ons een altijd brandend licht aangekondigd, in een wereld vol dood en ellende wordt ons leven en geluk toegezegd, in een wereld vol oorlog en onmin, wordt ons een vrede beloofd die door geen oorlog kan worden tegengehouden. We mogen ons verheugen in zo’n God.

Het afgelopen jaar was voor veel van ons een jaar om snel achter ons te laten; verdriet en eenzaamheid, rouw en lijden. Het Kerstverhaal spreekt ons aan in ons verlangen naar licht, ons verlangen naar leven en ons verlangen naar vrede. Dat we, zittend op de puinhopen van ons leven, niet bij de pakken neerzitten en blijven geloven in dat visioen van vrede dat Jesaja ons aankondigt en in God die aanwezig wil zijn in ons leven en die ons menselijk nabij gekomen is in Jezus het Kind ons gegeven als Redder en Heer.

Een troostende en ons bemoedigende God is Hij

4e zondag van de Advent

Vandaag staat Jesaja51, 1-8 op het leesrooster NBG en morgen Jesaja 51, 9-16. Volgens Tekst voor Tekst (1987, Zoetermeer) omvat dit gedeelte als boodschap van heil: Ik ben het die troost.

Jes. 51, 1-8 (zondag)
Luister naar mij, jullie die gerechtigheid najagen, jullie die de HEER zoeken. Kijk naar de rots waaruit je gehouwen bent, naar de diepe groeve waar je gedolven bent. Kijk naar Abraham, jullie vader, naar Sara, die jullie heeft gebaard; toen ik hem riep was hij alleen, maar ik heb hem gezegend en talrijk gemaakt. De HEER troost Sion, hij biedt troost aan haar ruïnes. Hij maakt haar woestenij aan Eden gelijk, haar wildernis wordt als de tuin van de HEER. Het zal een oord zijn van vreugde en gejuich, waar muziek en lofzang klinken. Mijn volk, luister aandachtig naar mij, mijn natie, leen mij je oor. De wet vindt zijn oorsprong in mij, en mijn recht zal een licht zijn voor alle volken. In een oogwenk breng ik de zege nabij, de hulp die ik bied is al onderweg; ik zal krachtig rechtspreken over de volken. De eilanden hebben hun hoop op mij gevestigd, ze zien uit naar mijn krachtig optreden. Kijk omhoog naar de hemel, kijk naar de aarde beneden: al vervliegt de hemel als rook, al valt de aarde uiteen als een oud gewaad en sterven haar bewoners als muggen, de redding die ik breng, zal voor altijd blijven en mijn recht zal geen einde hebben. Luister naar mij, jullie die mijn gerechtigheid kennen, volk dat mijn wet in het hart draagt. Wees niet bang voor de hoon van mensen, stoor je niet aan hun spot. Want ze vergaan zoals een gewaad door motten, zoals wol door mottenlarven. Maar mijn gerechtigheid zal voor altijd blijven, de redding die ik breng, duurt van geslacht op geslacht.

Jes. 51, 9-16 (maandag)
Ontwaak, ontwaak, arm van de HEER, en bekleed u met kracht! Ontwaak als in de dagen van weleer, als in lang vervlogen tijden. Was u het niet die Rahab vermorzelde, die het monster doorboorde? Was u het niet die de zee drooglegde, het water in de diepte, die een weg baande op de bodem van de zee waarover het verloste volk kon gaan? Wie door de HEER zijn bevrijd, keren terug. Jubelend komen zij naar Sion, gekroond met eeuwige vreugde. Gejuich en vreugde trekken de stad binnen, gejammer en verdriet vluchten eruit weg. Ik, ik ben het die jullie troost. Hoe kun je dan bang zijn voor een sterveling, voor een mensenkind dat vergaat als gras? Hoe kun je de HEER vergeten, die je gemaakt heeft, die de hemel heeft uitgespannen en de aarde gegrondvest? Hoe kun je je zo laten beheersen door angst voor de toorn van je belagers, voor hun pogingen je te vernietigen? Waar blijven die belagers met hun toorn? Weldra wordt de geketende bevrijd; hij zal niet sterven, niet afdalen in het graf, het zal hem aan niets ontbreken. Ik, de HEER, jullie God, die de zee opzweep, zodat de golven bruisen, wiens naam is HEER van de hemelse machten, ik leg je mijn woorden in de mond en bescherm je met de schaduw van mijn hand, ik die de hemel geplant heb en de aarde gegrondvest, die tegen Sion zeg: ‘Mijn volk ben jij.’

Advent
De profeet Jesaja richt zich tot hen die gerechtigheid najagen en de Heer zoeken. Als mensen op weg naar de viering van het Kerstfeest mogen wij ons tot de aangesprokenen weten. Er wordt ons in herinnering gebracht: de rots waaruit wij gehouwen zijn. Daarbij worden Abraham en Sarah genoemd en hoe God Sion getroost heeft. De geschiedenis van God met zijn volk laat zien hoe God trouw is aan zijn belofte en hoe Hij zijn volk troostend nabij is. God spreekt ons moed in en herhaald zijn belofte: ‘De wet vindt zijn oorsprong in mij, en mijn recht zal een licht zijn voor alle volken. In een oogwenk breng ik de zege nabij, de hulp die ik bied is al onderweg.’ En: ‘Wees niet bang voor de hoon van mensen, stoor je niet aan hun spot. Want ze vergaan zoals een gewaad door motten, zoals wol door mottenlarven. Maar mijn gerechtigheid zal voor altijd blijven, de redding die ik breng, duurt van geslacht op geslacht.’
Wij zien uit naar de wederkomst van Christus. We vieren straks het geboortefeest, de komst van God op aarde in Jezus de Christus. We mogen vasthouden aan de belofte van God en Zijn trouw aan ons beantwoorden met ons ja-woord, zoals Maria dat eens gedaan heeft op de vraag van God om moeder te worden van de Heer.

Ook de lezing van morgen brengt de grote heilsdaden van God in herinnering en spreekt ons moed in niet te vrezen en ons leven toe te vertrouwen aan de Roepende in het Komen van de Heer.

Verlossing vraagt dat wij vertrouwen op Hem

3e week van de advent

Het NBG leesrooster startte de advent met de beginhoofdstukken uit de profeet Jesaja: een oproep tot bekering. Jesaja riep ons op ons af te keren van de afgoden die wij vereren en ons toe te wenden naar de enige en ware God. Gisteren en vandaag lezen we hoofdstuk 50 uit diezelfde profeet Jesaja.

Jes. 50, 1-3 (gisteren) en Jes. 50, 4-11 (vandaag)
Dit zegt de HEER: Waar is de scheidingsbrief waarmee ik jullie moeder heb weggestuurd? Of waar is de schuldeiser aan wie ik jullie heb verkocht? Nee, vanwege jullie zonden zijn jullie verkocht, vanwege je wandaden is je moeder weggestuurd. Waarom was er niemand toen ik kwam? Waarom antwoordde niemand toen ik riep? Zou mijn arm te kort zijn om te bevrijden? Ontbreekt het mij aan kracht om te redden? Alleen al door te dreigen laat ik de zee droogvallen en vorm ik rivieren om tot woestijn, waarin de vis stinkt door gebrek aan water en van dorst sterft. Ik kan de hemel in duisternis hullen en hem bekleden met een rouwgewaad.

God, de HEER, gaf mij een vaardige tong, waarmee ik de moedeloze kan opbeuren. Elke ochtend wekt hij mijn oor, zodat het toegerust is om aandachtig te horen. God, de HEER, heeft mijn oren geopend en ik heb geen verzet geboden, ik ben niet teruggedeinsd. Ik heb mijn rug blootgesteld aan mijn folteraars, wie mij de baard uittrokken, bood ik mijn wangen aan. Ik heb mijn gezicht niet verborgen toen ze mij beschimpten en bespuwden. God, de HEER, zal mij helpen, daarom word ik niet gekwetst en is mijn gezicht zo onbewogen als een rots, want ik weet dat ik niet beschaamd zal staan. Hij die mij recht verschaft is nabij. Wie durft tegen mij een geding aan te spannen? Laten we samen voor het gerecht verschijnen. Wie is mijn tegenstander in deze zaak? Laat hij mij tegemoet treden. God, de HEER, zal mij helpen – wie zal mij dan veroordelen? Mijn belagers vallen uiteen als een kledingstuk, als een gewaad dat ten prooi is aan de motten. Wie van jullie heeft ontzag voor de HEER? Wie luistert naar de stem van zijn dienaar? Hij die door de duisternis gaat en geen licht meer ziet, en die dan vertrouwt op de naam van de HEER en vertrouwen stelt in zijn God. Maar jullie allen ontsteken vuur en wapenen je met brandpijlen. Ga door de gloed van dat vuur, brand je aan je eigen pijlen! Ik ben het die jullie dit laat overkomen, in vreselijke pijn zul je bezwijken.

Advent
In de eerste drie verzen is er sprake van een twistgesprek rondom de vraag: waarom wilt u niet verlost worden? (Tekst voor Tekst, 1987, Zoetermeer) en daarna volgt de derde profetie over de Dienstknecht des Heren. In de laatste verzen is niet meer de Knecht aan het woord, maar de profeet. (Tekst voor Tekst, 1987, Zoetermeer).

Wil je nu verlost worden of niet? Of twijfel ik aan de grootheid van God, of Hij mij wel redden kan? Nee, aan God zal het niet liggen, het is aan ons om op Hem te vertrouwen en ons aan Zijn belofte toe te vertrouwen.

De trouw van God wordt zichtbaar in de Knecht. De vaardige tong en het luisterende oor, gewekt in de morgen – toegerust om aandachtig te horen. Zo roept Jesaja ons op om te horen, aandachtig te horen en te spreken, te getuigen van wat wij horen. En daarbij laat de Dienstknecht die wij verwachten zich door niets of niemand tegenhouden. Vers 10 raakt mij: Wie van jullie heeft ontzag voor de HEER? Wie luistert naar de stem van zijn dienaar? Hij die door de duisternis gaat en geen licht meer ziet, en die dan vertrouwt op de naam van de HEER en vertrouwen stelt in zijn God. Het vuur dat wij zelf maken zal de duisternis niet verdrijven!

Wil je nu verlost worden? Vertrouw dan op God! Verlossing vraagt dat wij vertrouwen op Hem.

Gods belofte staat als een huis

3e week van de advent

Gisteren is het NBG leesrooster gestart met de profeet Haggai hoofdstuk 1, de eerste profetie. Vandaag en morgen lezen we hoofdstuk 2 en daarmee hebben we het hele boek Haggai gelezen.

Haggai 1, 1- 15 (maandag)
In het tweede regeringsjaar van koning Darius, op de eerste dag van de zesde maand, richtte de HEER zich bij monde van de profeet Haggai tot Zerubbabel, zoon van Sealtiël en gouverneur van Juda, en tot Jozua, zoon van Josadak en hogepriester: ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Dit volk beweert dat de tijd nog niet gekomen is om de tempel van de HEER weer op te bouwen. Maar,’ zo sprak de HEER bij monde van de profeet Haggai, ‘is de tijd dan wel gekomen om zelf in mooi afgewerkte huizen te wonen? En dat terwijl mijn huis nog een ruïne is! Nu dan – dit zegt de HEER van de hemelse machten: Welke weg zijn jullie ingeslagen? Denk toch na! Jullie hebben veel gezaaid maar weinig geoogst; jullie eten maar raken nooit verzadigd, jullie drinken maar nooit is het genoeg, jullie kleden je maar krijgen het nooit warm; de dagloner krijgt zijn geld maar het verdwijnt in een beurs vol gaten. Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Welke weg zijn jullie eigenlijk ingeslagen? Ga naar de bergen, haal daar hout en bouw mijn huis weer op. Met vreugde zal ik het aanvaarden en er mij in al mijn luister tonen – zegt de HEER. Jullie hebben veel verwacht, maar hoe weinig is het geworden, en wat jullie wél binnenhaalden, is door mijn adem vernietigd. En waarom? – spreekt de HEER van de hemelse machten. Omdat mijn huis nog altijd een ruïne is, terwijl ieder van jullie zich uitslooft voor zijn eigen huis. Daarom onthoudt de hemel jullie zijn dauw en brengt de aarde niets meer op. Ik heb het land en de bergen, het koren, de wijn en de olie, al wat de aarde opbrengt, ieder mens en elk dier, en alles wat jullie moeizaam tot stand hebben gebracht, met droogte getroffen.’

Zerubbabel, zoon van Sealtiël, en Jozua, zoon van Josadak en hogepriester, en wie er van het volk nog over waren, luisterden naar de oproep die de HEER, hun God, had gedaan; ze luisterden naar de woorden van de profeet Haggai, die door de HEER, hun God, gezonden was. En het volk werd vervuld van vrees voor de HEER. Maar Haggai, de bode van de HEER, zei in opdracht van de HEER tot het volk: ‘Ik ben bij jullie – spreekt de HEER.’

Zo zette de HEER Zerubbabel, zoon van Sealtiël en gouverneur van Juda, en Jozua, zoon van Josadak en hogepriester, en wie er van het volk nog over waren, ertoe aan te beginnen met het herstel van de tempel van de HEER van de hemelse machten, hun God. Ze gingen aan het werk op de vierentwintigste dag van de zesde maand.

Advent
Haggai roept op om de herbouw van de tempel weer op te pakken. Alle tijd en energie gaat naar het ‘eigen huis’ en ‘de woning van God’ is een ruïne. De vraag: welke weg zijn jullie ingeslagen?, is een vraag naar reflectie. Daar ligt voor mij de link naar advent. Welke weg ben ik/zijn wij ingeslagen? Is er nog plaats voor God om bij ons te wonen? De advent nodigt uit om de weg voor de Heer te bereiden, Hem een plaats te bereiden, midden onder ons. We zetten een kerststal en maken het gezellig, en we zetten de deur van ons hart open om het Kerstkind, de Zoon van God, te verwelkomen.

Haggai zijn oproep vond gehoor en de herbouw van de tempel werd herstart. De mensen werden weer vervuld van vrees voor de Heer. Vrees voor de Heer staat hier niet voor angst, maar voor ontzag. En Haggai zegt in opdracht van de HEER tot het volk: ‘Ik ben bij jullie – spreekt de HEER.’ Hij herhaalt de belofte van God er te zijn.

Haggai 2, 1-9 (dinsdag)
In het tweede regeringsjaar van koning Darius, op de eenentwintigste dag van de zevende maand, sprak de HEER opnieuw bij monde van de profeet Haggai. Hij droeg hem op: ‘Zeg tegen Zerubbabel, zoon van Sealtiël en gouverneur van Juda, en tegen Jozua, zoon van Josadak en hogepriester, en tegen wie er van het volk nog over zijn:
“Wie van jullie heeft deze tempel nog in zijn vroegere luister gezien? En hoe ziet hij er nu uit? Jullie denken zeker dat het niets meer kan worden!” Maar houd vol, Zerubbabel – spreekt de HEER –, houd vol, Jozua, zoon van Josadak en hogepriester; jullie allen, bewoners van dit land, houd vol! – spreekt de HEER. Werk door, ik ben bij jullie – spreekt de HEER van de hemelse machten. Dat heb ik jullie beloofd toen jullie wegtrokken uit Egypte; ik zal steeds in jullie midden aanwezig zijn, wees dus niet bevreesd. Want dit zegt de HEER van de hemelse machten: Nog een korte tijd, een ogenblik slechts, en ik zal de hemel en de aarde, de zee en het land doen beven. Alle volken breng ik in beroering, hun schatten zullen mij toevallen en mijn huis zal ik vullen met pracht en rijkdom – zegt de HEER van de hemelse machten. Het zilver is voor mij en het goud is voor mij – spreekt de HEER van de hemelse machten. De luister van deze tempel zal groot zijn, nog groter dan voorheen – zegt de HEER van de hemelse machten –, en van hieruit zal ik jullie vrede en voorspoed geven – spreekt de HEER van de hemelse machten.’

Haggai 2, 10-20 (woensdag)
Op de vierentwintigste dag van de negende maand, in het tweede regeringsjaar van Darius, richtte de HEER zich tot de profeet Haggai: ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Vraag de priesters hierover een uitspraak te doen: Als iemand offervlees bij zich draagt in een plooi van zijn mantel, en deze plooi komt in aanraking met brood of met gekookt voedsel, met wijn, olie of met wat voor voedsel ook, wordt dat voedsel daardoor dan heilig?’ ‘Nee,’ antwoordden de priesters op deze vraag. Vervolgens vroeg Haggai: ‘Als iemand die onrein is doordat hij met een lijk in aanraking is geweest, zulk voedsel aanraakt, wordt het daardoor dan onrein?’ ‘Ja,’ antwoordden de priesters, ‘het wordt daardoor onrein.’ Daarop zei Haggai: ‘Zo is het ook met deze mensen – spreekt de HEER –, zo is het in mijn ogen gesteld met heel dit volk, en zo is het ook met de vruchten van hun arbeid; alles wat zij offeren is onrein. Maar let op wat er vanaf vandaag gebeuren gaat. Hoe was het met jullie gesteld voordat er aan de herbouw van de tempel van de HEER begonnen werd? Jullie dachten twintig maten graan te scheppen, maar de graanhoop bleek slechts tien maten groot te zijn; jullie dachten vijftig maten wijn uit de pers te halen, maar de perskuip bleek slechts twintig maten te bevatten. De vruchten van jullie arbeid heb ik getroffen met korenbrand, meeldauw en hagel, en toch zijn jullie niet naar mij teruggekeerd – spreekt de HEER. Maar let op wat er gebeuren gaat, vanaf vandaag, vanaf deze vierentwintigste dag van de negende maand, vanaf de dag dat de tempel van de HEER gegrondvest is, let op! Het is waar dat het zaad nog ongebruikt in de schuur ligt, en ook hebben de wijnstok en de vijgenboom, de granaatappel en de olijf nog geen vrucht gedragen, maar vanaf vandaag zal ik jullie mijn zegen geven.’

Op die vierentwintigste dag van de maand richtte de HEER zich nogmaals tot Haggai: ‘Zeg dit aan Zerubbabel, de gouverneur van Juda: “Ik zal de hemel en de aarde doen beven, ik zal alle koningstronen omverstoten en de macht van alle volken breken, ik zal de strijdwagens met hun berijders omverwerpen; de paarden zullen neerstorten en de ruiters zullen elkaar ombrengen. Op die dag – spreekt de HEER van de hemelse machten – zal ik jou, Zerubbabel, zoon van Sealtiël en mijn dienaar, dragen als mijn zegelring, want jou heb ik uitverkozen – zo spreekt de HEER van de hemelse machten.”’

Advent
Haggai spreekt allen moed in, om vol te houden en niet te denken: dit gaat ons niet lukken. Werk door, zegt Haggai, het komt goed: want de Heer is met ons. Haggai spreekt namens de Heer zijn belofte, eens aan Mozes gedaan, uit: ik zal steeds in jullie midden zijn, wees dus niet bevreesd. Hij beloofd ons voorspoed en vrede.
In het Kerstkind is God als mens, midden onder ons, verschenen. Namens de Heer kondigt Haggai ons redding aan.
Wat mij raakt in de profetie van Haggai is de verbinding tussen verleden en heden. De belofte gedaan in het verleden staat ook heden als een huis: Ik-zal-er-zijn! Laten wij de deur van ons hart openzetten, opdat de Heer kan komen – zoals Hij heeft beloofd.

 

Een leven van advent

2e week van de Advent

Vandaag en morgen staat op het NBG leesrooster het slot van de 1e Brief aan de Tessalonicenzen op het programma. In deze blog laat ik mij door deze tekst inspireren.

1 Tess. 5, 1-11 (zaterdag)
‘Broeders en zusters, ik hoef u niet te schrijven over het moment waarop dit zal gebeuren, want u weet zelf maar al te goed dat de dag van de Heer komt als een dief in de nacht. Als de mensen zeggen dat er vrede en veiligheid is, worden ze plotseling getroffen door de ondergang, zoals een zwangere vrouw door barensweeën. Vluchten is dan onmogelijk. Maar u, broeders en zusters, u leeft niet in de duisternis, zodat de dag van de Heer u zou kunnen overvallen als een dief, want u bent allen kinderen van het licht en van de dag. Wij behoren niet toe aan de nacht en de duisternis, dus laten we niet slapen, zoals anderen, maar waken en op onze hoede zijn. Wie slaapt, slaapt ’s nachts, en wie zich bedrinkt, is ’s nachts dronken; maar laten wij, die toebehoren aan de dag, op onze hoede zijn, omgord met het harnas van geloof en liefde, en getooid met de helm van de hoop op redding. Want Gods bedoeling met ons is niet dat wij veroordeeld worden, maar dat wij gered worden door onze Heer Jezus Christus. Hij is voor ons gestorven opdat wij, of we nu op aarde zijn of gestorven zijn, samen met hem zullen leven. Dus troost elkaar en wees elkaar tot voorbeeld, zoals u trouwens al doet.’ (NBV)

De (weder)komst van de Heer laat op zich wachten. Paulus spreekt de gemeente van Tessalonica moed in. Hij gebruikt daarbij een aantal mooie beelden, zoals het beeld van de zwangere vrouw met barensweeën. Een moeder zal het uit eigen ervaring kunnen verstaan. Ik heb het alleen van horen zeggen: als je het kindje gebaard heb is er alleen nog maar de vreugde om het kind, de pijn verdwijnt naar de achtergrond. Voor de meeste geboortes gaat dit wel op. Wat Paulus ons in dit beeld zegt is dat er door de pijn van de godverlatenheid en zonde heen licht en redding zal komen. Hij roept ons op waakzaam te zijn en de hoop niet op te geven. Een ander bekend beeld: licht en duisternis (dag en nacht). Paulus noemt ons ‘kinderen van het licht en van de dag’, en roept ons op ook zo te leven. Hij gebruikt daarbij termen uit de krijgsmacht: harnas en helm, maar geeft wel een bijzondere kleur aan deze wapenrusting Gods: het harnas van geloof en liefde en de helm van hoop op redding. Geloof, hoop en liefde, de drie goddelijke deugden, worden ons gegeven om mee op weg te gaan als kinderen van het licht, door de nacht heen naar het licht – naar God toe

1 Tess. 5, 12-28 (zondag)
‘Wij vragen u, broeders en zusters, diegenen onder u te erkennen die zich op gezag van de Heer ervoor inzetten u te leiden en terecht te wijzen. U moet hun om hun werk veel liefde en respect betonen. Leef in vrede met elkaar. Wij sporen u aan, broeders en zusters, iedereen die zijn dagelijks werk verwaarloost terecht te wijzen, de moedelozen hoop te geven, op te komen voor de zwakken, met iedereen geduld te hebben. Zie erop toe dat niemand kwaad met kwaad vergeldt en streef altijd naar het goede, zowel voor elkaar als voor ieder ander. Wees altijd verheugd, bid onophoudelijk, dank God onder alle omstandigheden, want dat is wat hij van u, die één bent met Christus Jezus, verlangt. Doof de Geest niet uit en veracht de profetieën niet die hij u ingeeft. Onderzoek alles, behoud het goede en vermijd elk kwaad, in welke vorm het zich ook voordoet. Moge de God van de vrede zelf uw leven in alle opzichten heiligen, en mogen heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus. Hij die u roept is trouw en doet zijn belofte gestand. Broeders en zusters, bid ook voor ons en groet elkaar met een heilige kus. In de naam van de Heer verzoek ik u dringend deze brief voor te lezen aan alle broeders en zusters. De genade van onze Heer Jezus Christus zij met u.’ (NBV)

In het afsluitende hoofdstuk komt het voorgaande nog eens samengevat aan de orde. De oproep om als gemeente elkaar als broeders en zusters te beschouwen en elkaar te bemoedigen en waar nodig bij te sturen op de weg van het evangelie. Woorden die daarin worden genoemd: liefde, respect en vrede.  De nadruk ligt op het goede doen en de Geest van Christus levend houden. Een mooi advies daarbij: onderzoek alles en behoud het goede. Daarin zit de ruimte om ons door de heilige Geest te laten leiden en te laten inspireren tot wat er in het nu van ons als christenen wordt gevraagd. Als zusters van de Feminae Pacis zoeken we naar eigentijdse wegen en proberen we ons oor te luisteren te leggen in stilte en gebed, op de weg van de navolging van Christus. En zo zijn we allen geroepen, ieder op zijn of haar eigen plek, om trouw te zijn en wanneer Hij komt er te zijn. In die zin is ons hele leven een tijd van advent!

Wat de liefde van God vermag

2e week van de Advent

De komende dagen vervolgt het NBG leesrooster de lezing van de 1e Brief aan de Tessalonicenzen. In deze blog sta ik stil bij hoofdstuk 3 en 4.

1 Tess 3, 1-13 (woensdag)
‘Omdat we het niet langer uithielden, besloten we Timoteüs naar u toe te sturen, onze broeder en Gods medewerker in de verkondiging van het evangelie van Christus. Zelf bleven we in Athene achter. Timoteüs moest u sterken en aanmoedigen in uw geloof, zodat u zich niet uit het veld zou laten slaan door de tegenspoed die u ondervindt. U weet tenslotte zelf dat wij die moeten ondergaan. Toen we bij u waren, hebben we u al gezegd dat ons tegenspoed te wachten stond; die is dan ook gekomen, zoals u ondervonden hebt. Ik heb Timoteüs dus gestuurd omdat ik het niet langer kon uithouden. Ik wilde weten of uw geloof standhield, want ik was bang dat de verleider u had verleid en onze inspanningen voor niets waren geweest. Maar nu is Timoteüs teruggekomen met het goede bericht over uw geloof en liefde. Hij heeft ons bovendien verteld hoezeer u ons altijd als voorbeeld neemt en hoe u er even vurig naar verlangt ons te zien als wij u. Daardoor, broeders en zusters, zijn we over u gerustgesteld. In al onze nood en ellende voelen we ons gesterkt door uw geloof, want nu opnieuw blijkt dat de Heer uw fundament is, leven we weer op. Kunnen we God ooit genoeg voor u danken? Kunnen we hem ooit genoeg danken voor de vreugde die hij ons met u geschonken heeft? Wij bidden dag en nacht met volle overgave dat we u weer zullen zien en kunnen aanvullen wat er nog aan uw geloof ontbreekt. Mogen God, onze Vader, en onze Heer Jezus ons pad naar u leiden. Moge de Heer uw liefde voor elkaar en ieder ander groter maken, zodat uw liefde even overvloedig wordt als onze liefde voor u. Moge de Heer u door die liefde kracht geven, zodat u zuiver en heilig voor onze God en Vader zult staan wanneer onze Heer Jezus komt met al de zijnen. Amen.’ (NBV)

Paulus is verheugt over de volharding in het geloof, dat de Tessalonicenzen zich niet door tegenslag en tegenstand van de weg van het evangelie hebben laten afbrengen. Tegenspoed en tegenstand is een beproeving van het geloof. Als ik terugdenk aan deze periodes in mijn eigen leven dan ben ik dankbaar dat door alles heen ik mijn geloof heb behouden. Sterker nog: mijn geloof heeft mij er doorheen geholpen. God was met mij in de stormen en in de donkere nachten van mijn leven. Ik ben er sterker uitgekomen en het heeft mijn band en liefde voor mijn God verstevigd.

In hoofdstuk drie spreekt Paulus ook over de liefde. Dit woord geeft de kleur aan van Gods aanwezigheid. God is de liefdevolle Aanwezige. Juist in die donkere nachten gaf Hij mij de kracht en het geloof om door te gaan en erop te vertrouwen dat het goed zou komen. Zijn liefde voor mij heeft mij gezuiverd en mij op de goede weg gezet. De gemeente van Tessalonica is vandaag in de lezing als een spiegel waarin ik mij herken, en waarin ik zie wat de liefde van God vermag – ook vandaag.

1 Tess. 4, 1-12 (donderdag)
‘Broeders en zusters, in naam van de Heer Jezus vragen we u met klem te leven zoals wij het u hebben geleerd, dus zo dat het God behaagt. U doet dat al, maar wij sporen u aan het nog veel meer te doen. U kent de voorschriften die wij u op gezag van de Heer Jezus hebben gegeven. Het is de wil van God dat u een heilig leven leidt: dat u zich onthoudt van ontucht, dat ieder van u zijn lichaam heiligt en in eerbaarheid weet te beheersen en dat u niet zoals de ongelovigen, die God niet kennen, toegeeft aan uw hartstocht en begeerte. Schaad of bedrieg uw broeder of zuster in dit opzicht niet, want de Heer vergeldt dit alles, zoals wij u vroeger al nadrukkelijk hebben voorgehouden. God heeft ons niet geroepen tot zedeloosheid, maar tot een heilig leven. Dus wie deze voorschriften verwerpt, verwerpt niet een mens, maar God, die u zijn heilige Geest geeft. Over de onderlinge liefde hoeven wij u niets te schrijven, want u hebt zelf van God geleerd hoe u in liefde met elkaar moet omgaan. U doet dat al met alle gelovigen in heel Macedonië, maar, broeders en zusters, wij sporen u aan het nog veel meer te doen en er een eer in te stellen in alle rust uw eigen zaken te behartigen en uw eigen brood te verdienen. Dat hebben wij u opgedragen, opdat u een eerzaam leven zult leiden in de ogen van hen die niet tot de gemeente behoren, en u van niemand afhankelijk bent.’ (NBV)

Dit gedeelte spreekt over een heilig leven: ‘Het is de wil van God dat u een heilig leven leidt.’ Deze heiliging is geen eigen verdienste en kan niet door eigen inzet worden verkregen. Onze heiligheid is gegeven door God zelf – het is Zijn heiligheid waarin wij door Hem geheiligd worden. Zoals we in Leviticus 19 lezen: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig.’ In bovenstaande lezing spitst Paulus het toe op de seksualiteit en zedeloosheid, op ‘de ingevreten zucht om de ander te bezitten’ (Tekst voor Tekst, 1987, Zoetermeer).

God heeft zijn heilige Geest gegeven, de Geest die ons een heilig leven leert en geeft. De woorden van Paulus kunnen wat wettisch overkomen, toegespitst op het naleven van voorschriften. Volgens mij is dat niet waar het hier om gaat, dan zou het namelijk gaan om een heiligheid die je kan verdienen door nauwgezet aan de voorschriften te voldoen. Volgens mij gaat het hier om de liefdesband met God de Vader, het leven vanuit de Geest die God ons gegeven heeft en geeft. De broederliefde komt daaruit voort.

De laatste opmerking over het verdienen van je eigen brood is ingegeven door het feit dat er mensen zijn in Tessalonica die hun gewone arbeid hebben gestaakt met een beroep op de spoedige wederkomst van de Heer. Deze mag geen alibi zijn om lui te worden of om op andermans zak te teren. (Tekst voor Tekst, 1987, Zoetermeer)

Ik moet hierbij denken aan Dietrich Bonhoeffer die in zijn Ethiek schrijft over ‘voorlaatste’ en ‘laatste’, waarbij het ‘laatste’ voor de wederkomst van Christus en de redding van de mensen staat. Het ‘voorlaatste’ is alles wat daar aan vooraf gaat. We leven gericht op het ‘laatste’, maar in het ‘voorlaatste’. We moeten niet leven alsof we al in het ‘laatste’ zijn aangekomen – dat zal gebeuren op Gods tijd. Ondertussen kunnen wij alleen maar bidden, werken en wachten op Gods uur.

1 Tess. 4, 13-18 (vrijdag)
‘Broeders en zusters, wij willen u niet in het ongewisse laten over de doden, zodat u niet hoeft te treuren, zoals zij die geen hoop hebben. Want als wij geloven dat Jezus is gestorven en is opgestaan, moeten wij ook geloven dat God door Jezus de doden naar zich toe zal leiden, samen met Jezus zelf. Wij zeggen u met een woord van de Heer: wij, die in leven blijven tot de komst van de Heer, zullen de doden in geen geval voorgaan. Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen. Dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan, en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen op de wolken worden weggevoerd en gaan we in de lucht de Heer tegemoet. Dan zullen we altijd bij hem zijn. Troost elkaar met deze woorden.’ (NBV)

Bovenstaande is niet bedoeld als ‘theologie aangaande het laatste’, maar heeft een pastorale bedoeling. (Tekst voor Tekst, 1987, Zoetermeer) Paulus schetst in bekende beelden vanuit de Schrift een beeld van het ‘laatste’, om de gemeente van Tessalonica hoop te bieden. De verwachting was dat de wederkomst spoedig zou zijn en dat velen van de toen levende mensen dit zouden meemaken. Er is onrust als de wederkomst uitblijft en mensen sterven. Wat gebeurt er met hen? Paulus spreekt de mensen moed in: God zal bij zijn wederkomst levenden en doden naar zich toetrekken en wij zullen voor altijd bij Hem zijn.

Ik merk bij mijzelf dat ik daar niet zo mee bezig ben. Ik geloof dat er na de dood een leven bij God is en dat is voor mij genoeg. Hoe dat nu precies is voor de mensen die al gestorven zijn of voor de nog levenden bij de wederkomst van de Heer maakt mij niet zoveel uit. Maar mensen verschillen en dan is het goed dat Paulus de gemeente moed inspreekt, waar het perspectief op het ‘laatste’ wat aan het verdwijnen is. Ook nu vind ik inspiratie bij Bonhoeffer, zoals bij het stukje over de eerste verzen van hoofdstuk 4.

De blijde boodschap kan alleen met tederheid worden gebracht

             2e week van de Advent

De komende week vervolgt het NBG leesrooster de lezing van de 1e brief aan de Tessalonicenzen.

1 Tess. 2, 1-12 (maandag)
‘U weet zelf, broeders en zusters, dat ons bezoek aan u niet tevergeefs is geweest. Ondanks de mishandelingen en beledigingen die wij, zoals u bekend is, in Filippi te verduren hadden, vonden we in vertrouwen op onze God de moed u bekend te maken met zijn evangelie. Daarvoor hebben we ons tot het uiterste ingespannen. Onze oproep berust niet op een dwaling, op oneerlijkheid of bedrog. Wij spreken alleen omdat God ons daartoe waardig heeft gekeurd en ons het evangelie heeft toevertrouwd – niet om mensen te behagen, maar God, die de mensen doorgrondt. U weet dat we u nooit naar de mond hebben gepraat en dat onze woorden nooit een dekmantel voor hebzucht waren. God is onze getuige. We hebben ook niet geprobeerd de gunst van mensen af te dwingen, niet bij u en niet bij anderen. Hoewel we ons als apostelen van Christus hadden kunnen laten gelden, zijn we u tegemoet getreden met de tederheid van een voedster die haar kinderen koestert. In die gezindheid, vol liefde voor u, waren we niet alleen bereid u te laten delen in Gods evangelie, maar ook in ons eigen leven. Zo dierbaar was u ons geworden. U herinnert u, broeders en zusters, hoe we ons hebben ingezet en ingespannen, hoe we dag en nacht hebben gewerkt om niemand van u tot last te zijn. Op die manier hebben we u het evangelie van God verkondigd. U kunt getuigen, en God zelf, hoe toegewijd, hoe oprecht en zuiver we bij u, die tot geloof gekomen bent, hebben geleefd. U weet dat we voor ieder van u waren als een vader voor zijn kinderen. We hebben u aangespoord en bemoedigd en u op het hart gedrukt zo te leven dat u God eer bewijst. Hij roept u tot zijn koninkrijk en luister.’ (NBV)

Paulus roept in herinnering hoe zij de blijde boodschap aan de mensen in Tessalonica hebben gebracht. De boodschap van God wordt gebracht met tederheid, niet dwingend maar vol liefde. En het vraagt inspanning en dat je iemand niet lastig valt – dat je zuiver leeft tussen de andere mensen. De boodschap van God wordt met liefde en vredevol gebracht. Dat is in de geschiedenis wel anders geweest (en in het heden ook). Ik moet hierbij denken aan een oude wijze broeder die mij zei: ‘Je hoeft alleen maar te getuigen. Overtuigen is niet nodig.’ Je kunt een ander niet tot de blijde boodschap verplichten, je kan wel getuigen en daarin een ander openen voor de blijde boodschap en dat Jezus ook voor hem of haar gekomen is.

1 Tess. 2, 13-20 (dinsdag)
‘Wij danken God dan ook onophoudelijk dat u zijn woord, dat u van ons ontvangen hebt, niet hebt aangenomen als een boodschap van mensen, maar als wat het werkelijk is: als het woord van God dat ook werkzaam is in u, die gelooft. Het is u vergaan, broeders en zusters, als Gods gemeenten in Judea die Christus Jezus toebehoren. U hebt even zwaar onder uw stadsgenoten geleden als zij onder de Joden. Die hebben de Heer Jezus en de profeten gedood en ons tot het uiterste vervolgd. Ze mishagen God en zijn alle mensen vijandig gezind, omdat ze ons beletten andere volken bekend te maken hoe ze kunnen worden gered. De maat van hun zonden raakt nu vol, en Gods veroordeling is ten volle over hen gekomen. Broeders en zusters, nu wij voor korte tijd van u gescheiden zijn bent u weliswaar uit het oog, maar daarom nog niet uit het hart, en omdat we zo naar u verlangden hebben we ons alle moeite gegeven u te zien. We stonden dan ook meer dan eens op het punt naar u toe te komen – ik, Paulus, niet in de laatste plaats –, maar Satan heeft het ons belet. Want wie is onze hoop en vreugde? Wie is onze erekrans wanneer we voor Jezus, onze Heer, staan bij zijn komst? Wie anders dan u? Ja, u bent onze eer en vreugde.’ (NBV)

Het gaat bij de blijde boodschap om het woord van God, niet om het woord van mensen. Dit woord vraagt ons helemaal, vraagt ook om volharding waar anderen ons omwille van ons geloof verachten en veroordelen. In sommige delen van de wereld is de vervolging van christenen nog sterk. Maar ook in ons land kunnen mensen spottend zeggen: dat je daar nog in gelooft? Alsof dat iets is voor achterlijke mensen. Ook dan: niet overtuigen, maar getuigen en het oordeel aan God laten! Dat is niet altijd gemakkelijk, maar wel noodzakelijk. De blijde boodschap kan alleen met tederheid worden gebracht.