Het leven van Clara voltooid

Sterfbed Clara

De zusters liepen door de kloostergangen met dikke ogen en achter de deuren werd gezucht en gesnikt, maar heel zacht, want de stilte was een heilige wet in San Damiano, al even heilig als de armoede (of bijna toch). Ach de zusters hielden veel van moeder Clara. Ze was hun enig bezit in het land der levenden en hun houvast. Ze was hun regel geweest en al evengoed de uitzondering op hun regel. Daarom waren ze diep ontroerd geweest toen Clara hen allemaal rond haar sterfbed had geroepen. Dat sterfbed van Clara. Aan het voeteneinde stonden de broeders Leo, Angelo en Rufino. Langs weerskanten van ’t bed zaten de zusters. Ze deden hun best om hun tranen in te slikken. Ze
snotteren en bidden. Terwijl de zusters knielden zei Clara met heldere stem: Zusters, ik ga jullie, voor ik wegga, vergiffenis vragen. Ik was de eerste in de rij die tot dit wonder van leven werd geroepen. Als ik teveel heb uitgepakt met mijn genegenheid voor broeder Franciscus, vraag ik daar vergiffenis over. Ze zweeg even en keek eens rond. Weet ge, broeder Franciscus heeft mij abdis gemaakt over jullie en ik heb mijn best gedaan om een moeder voor jullie te zijn. Ben ik dat wel altijd geweest? En toen we zonder eten zaten, heb ik toch een beetje getwijfeld. De goede God zegende ons met brood, maar ik had even gedacht: zal Hij het wel doen? Soms ben ik ook niet stil genoeg geweest van binnen… Weer viel ze even stil. En heb ik Jezus wel genoeg liefgehad? Ik zat soms te kijken naar zijn gaven, terwijl ik de gever vergat… Maar: laat me nu maar even stilletjes alleen.

De zusters kwamen een voor een langs haar voorbij en kusten haar, maar bleven biddend hangen in de pandgang. Ook de broeders gingen wat bidden in de kerk. Enkele zusters bleven. Deze zusters maakte mee dat Clara zowat voor haar eigen sprak: Ga in vrede en rustig heen, want gij zult een goede begeleider hebben; Hij die u geschapen heeft, heeft u tevoren geheiligd. En na u geschapen te hebben, legde Hij de Heilige Geest in u en altijd heeft Hij u behoed, als een moeder haar kind dat zij bemint. Gezegend zijt Gij, Heer, die mij geschapen hebt. Moeder Clara, tegen wie hebt ge ‘t? vroeg Anastasia. Ik spreek tegen mijn ziel, zuster. Wilt ge nu de broeders roepen? Dat ze mij voorlezen uit het evangelie van Sint Jan. De broeders kwamen en Clara lachte, want broeder Junipero was erbij, de lieve gekke Junipero, die zulke heerlijke dingen kon zeggen over het geloof, in woorden die roken naar lentelucht en versgeploegde velden. Terwijl Leo en Angelo om de beurt wat voorlazen uit het Johannesevangelie, zei Junipero er telkens bij: Is dat schoon gezegd! Dat kan alleen de liefde. Toen hielden ze op met lezen. Clara was in slaap gevallen. Nog even deed Clara haar ogen open, liet toen een diepe zucht en haar gevouwen handen vielen los naast haar. Amata sloot haar ogen en vouwde haar handen terug bijeen.

Bovenstaande tekst is gelezen in de transitusviering 10 augustus 2011. We hebben gebruik gemaakt van de tekst van medebroeder Rufien z.g. uit ‘De tedere viool van Sinte Clara’ van Rufien Van Ouytsel.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s