Clara van Assisi

Wat is er nu aantrekkelijker om naar te kijken dan naar een meisje van 18 jaar, met over haar gezicht een vuile streep weggeveegd zweet? Zo iets moeten broeder Filip en Bernardo hebben gedacht toen ze in het licht van de fakkels het gezicht van Clara te zien kregen. Het gebeurde in de nacht van Palmzondag 1211 of 1212, even buiten de muren van de stad Assisi. Daar stond ze nu. Ook haar handen waren vuil, haar fijne handen die meer naar borduren stonden dan naar sleuren met balken en stenen. Het kon haar op dat ogenblik weinig schelen. Als in een droom beleefde ze dit uur en binnen was er een stemmetje dat juichte: Het is gelukt! Het schip achter haar was opgebrand, met loopplank en al. Ze had dapper doorgebeten en hoewel ze niet wist hoe het nu verder moest, Portiuncula lag vóór haar als een lichtboei. Zo was het ook een beetje in het echt, want de broeders hadden fakkels bij elkaar gezocht en kwamen haar daarmee tegemoet.

Eenmaal in Portiuncula aangekomen volgde er een kleine plechtigheid. Er was geen plechtigheid waar de broeders zo vertrouwd mee waren als een inkleding, want alle maanden maakten ze het minstens éénmaal mee. Maar nu zou het zeker anders zijn, want het ging om een meisje en dat hadden ze nog nooit beleefd. Voor het altaar stond Franciscus en achter hem lag het kleed op het altaar. Broeder Pacifico zette het lied in: Als een groene olijfboom weet ik mij in Gods hoven, van Gods genade zeker voor tijd en eeuwigheid. De zang was gedaan. Broeder Franciscus deed een gebed, sprak daarna nogal erg zenuwachtig met slikken en herbeginnen, maar niemand nam hem dat kwalijk; ze luisterden toch maar half, zo indrukwekkend was dit moment. Als hij gedaan had met preken wijdde broeder Sylvester, die priester was, het kleed en de sluier. Franciscus nam nu de grote schaar en sneed haar blonde haren af. Veel kunst werd er van dat knippen niet gemaakt. Clara had ineens een jongenskop gekregen. Maar toen Franciscus haar gekleed had met een habijt en haar de sluier had opgezet, vonden ze dat het een fris nonnetje was. Franciscus legde zijn handen op Clara’s hoofd en de anderen deden het na. Een teken van tederheid en bescherming. Als slot zongen ze een liedje ter ere van Maria. Al wat door God wordt aangeraakt blijft ongeschonden als een maagd die baart een groot geheimenis dat Hij voor altijd bij ons is.

Franciscus bracht Clara naar San Paolo, waar Clara als dienstmeisje bij het klooster van de benedictinessen binnenging en vervolgens naar Sant’Angelo di Panza. Dit is niet wat Clara wil. Uiteindelijk krijgt Clara, met de zusters die zich ondertussen bij haar hebben gevoegd, hun plek in het klooster van San Damiano.

Bovenstaande tekst is gelezen in de transitusviering 10 augustus 2011. We hebben gebruik gemaakt van de tekst van medebroeder Rufien z.g. uit ‘De tedere viool van Sinte Clara’ van Rufien Van Ouytsel.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s