Doe dat en je zult leven!

‘Je toont God je gehoorzaamheid door de geboden te volbrengen die in de Wet staan opgeschreven en door met hart en ziel Hem toe te behoren. En de geboden die Ik jou vandaag geef zijn niet te zwaar, ze liggen niet buiten je bereik, zijn niet onbereikbaar ver. Nee, die geboden zijn heel dichtbij, je kunt ze je eigen maken, je kunt ze volbrengen!’ (vrij naar Deut. 30, 10 – 14)

help-1019912_1920

Met bovenstaande woorden (vanuit de eerste lezing van vandaag) luisterde ik vanmorgen naar de evangelielezing, het bekende verhaal van de barmhartige samaritaan (Lc. 10, 25-37) als antwoord op de vraag van de wetgeleerde aan Jezus: ‘Meester wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’ ‘Wat lees je in de Wet?’ vraagt Jezus. En de wetgeleerde antwoordde: ‘Heb de Heer, je God, lief met heel je hart en met heel je ziel en met heel je kracht, en je naaste als jezelf.’ De wetgeleerde geeft het goede antwoord. ‘Doe dat en je zult leven!’ Maar de wetgeleerde wil zichzelf rechtvaardigen en vraagt dan: ‘Wie is mijn naaste?’ En dan volgt de bekende parabel waarin de priester en de leviet de gewonde man als dood laten liggen en er met een boog om heen lopen en de samaritaan medelijden krijgt en de zorg voor de gewonde man op zich neemt.

Zo dichtbij als die gewonde man, zo dichtbij is het Woord dat God dat concreet op ons af komt. ‘Doe dat en je zult leven!’ Ik moet spontaan aan Carola Rackete denken, de kapitein van de Sea Watch 3, die gevangen is genomen omdat zij vluchtelingen, mensenlevens, heeft gered. In wat voor een wereld leven wij, waar overheden onderzoeken of het mogelijk is het redden van migranten op zee strafbaar te stellen, en waar de meerderheid zwijgt als dit gebeurt? Doen wij dan niet hetzelfde als die priester en die lieviet?

Zo dichtbij is dat Woord van God dus, ook vandaag. ‘Doe dat en je zult leven!’

Tot lof van God!

Mijn eerste tattoo: Made with Love

In de viering van vanmorgen werd er stilgestaan bij de liefde, dit naar aanleiding van de tweede lezing uit de Brief van Paulus aan de Korintiers (12, 31-13, 13).

‘De liefde is lankmoedig en goedertieren, zij is niet afgunstig, praalt niet, beeldt zich niets in. Zij geeft niet om schone schijn, zij zoekt zichzelf niet, laat zich niet kwaad maken en rekent het kwade niet aan. De liefde verheugt zich niet over onrecht, maar vindt haar vreugde in de waarheid. Alles verdraagt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles duldt zij. De liefde vergaat nimmer.’

Wie God is? Hij is verborgen achter een sluier. Soms heel even zien we Hem…
in het voorbijgaan…
van achteren…

Wie God is? Wij geloven dat Hij ons het leven gegeven heeft en geeft
en soms zien wij Hem, waar Liefde zichtbaar wordt,
waar levensruimte wordt gegeven
en waar vriendschap en liefde bloeien mag.

Wie wilde kon zich na afloop van de viering laten tekenen. Mijn eerste tattoo is gezet: Made with Love.

God, we hebben U nog nooit gezien
en toch ben U zichtbaar, te zien waar
getekend wij zijn met Uw Naam en stempel:
Made with Love, een tattoo in ons hart.

God heeft ons met liefde geschapen,
getekend zijn wij door en met Hem,
toegerust om als Hem, de liefde te leven
als beelddragers van zijn eeuwige Naam.

Zo zijn wij allen kinderen van God,
geroepen om de Naam te leven
die Hij ons heeft gegeven: levende liefde
Made with Love, zijn wij, ook jij, ook jij!

 

 

Als U wilt, kunt U mij rein maken

In het evangelieverhaal van vandaag (Mc. 1, 40-45) wordt een melaatse door Jezus genezen. ‘De melaatsheid verdween en hij was rein.’ Wat maakt iemand onrein? Wat maakt je rein? De Bijbese onreinheid heeft niets te maken met niet schoon of vies zijn, maar heeft te maken met het al of niet geschikt zijn voor de eredienst. Het heeft te maken met de vraag of je in een conditie bent om God te ontmoeten.

Iemand met melaatsheid werd in de tijd van Jezus uitgestoten en dood verklaard. Iemand bij wie melaatsheid werd geconstateerd werd nog één keer naar de synagoge gebracht en daar werd dat de liturgie van de doden gevierd. De melaatse werd met aarde bestrooid en uit de gemeenschap geplaatst, overgeleverd aan zijn eigen lot. Alleen God kon hem nog redden. Dat klinkt voor ons heel hard. Het was toen echter een noodzaak omdat de melaatsheid anders ook de anderen zou besmetten. Om te voorkomen dat de hele gemeenschap aan de melaatsheid ten onder ging, werd de melaatse dus uitgestoten.

Jezus was heel goed op de hoogte van de positie die de melaatste in de joodse gemeenschap had. Op de knieval en uitroep van de melaatse: ‘Als U wilt, kunt U mij rein maken.‘, reageert Jezus op een afwijkende manier. Jezus steekt zijn hand uit en raakt de melaatse, tegen alle voorschriften in, aan. ‘Ik wil het, word rein.‘ En dan is de melaatse genezen. En Jezus zegt de man dat hij zich aan de priesters moet gaan laten zien en het voorgeschreven reinigingsoffer moet brengen. Zo zien de mensen dat hij genezen is en gereinigd. Hij hoort weer bij de levenden en bij de geloofsgemeenschap.

Jezus vraagt de man om niet te vertellen hoe hij genezen is. Maar de man kon niet zwijgen en sprak breeduit over wat er gebeurd was. Als gevolg hiervan kon Jezus niet langer openlijk in de stad verschijnen en moest Hij op eenzame plaatsen buiten de steden blijven. Het is alsof Jezus nu de onreine is, die niet langer in de gemeenschap kan zijn. Hij moet vluchten voor zijn leven. Maar de mensen blijven naar Hem toe komen, mensen die door de reinheidswetten heen in Jezus de Man Gods zien, die in staat is mensen rein te maken, ze terug in contact te brengen met God, de Gever van alle leven… en ja, dan is het te begrijpen dat die man zo vol is dat hij niet kan zwijgen.

Wie is rein? Wat maakt onrein? Ik moet hierbij denken aan de lezing van afgelopen woensdag: ‘Niets kan de mens bezoedelen wat van buiten af in hem komt. Maar wat uit de mens komt dat bezoedelt de mens. Wat uit de mens komt maakt hem onrein. Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed en dwaasheid. Al deze slechte dingen komen van binnenuit en die maken de mens onrein.’ (Mc. 7, 15.20-23)

Het gaat bij Jezus om de reinheid van hart. En ook ik mag tegen Jezus zeggen: ‘Als U wilt, kunt u mij rein maken.’ En Hij zal zijn hand uitstreken, mij aanraken en zeggen: ‘Ik wil het, word rein.’

Tot lof van God en tot zegen van Zijn mensen.

Wat heb ik met Jezus te maken?

‘Jezus van Nazareth, wat hebt Gij met ons te maken?’ Deze vraag bleef vanmorgen bij het lezen van het evangelie (Mc. 1, 21-28) hangen. Het roept bij mij een andere vraag op: Wat heb ik met Jezus te maken?

In onze huidige westerse wereld is deze vraag doorgaans geen vraag maar een uitroep om te zeggen: Ik heb niets met die Jezus en zijn kerk te maken en ik wil daar ook niets mee van doen hebben! Ik geloof niet in God en die Jezus kan hooguit een inspirerende man geweest zijn, iemand als bijvoorbeeld Nelson Mandela.

In het evangelie komt de vraag van een onreine geest. En wat mij opvalt is dat deze onreine geest Jezus herkent en weet heeft van zijn goddelijke macht. Na zijn vraag zegt hij: ‘Ge zijt gekomen om ons in het verderf te storten. Ik weet wie Gij zijt: de Heilige Gods.’ Hier komt aan het licht dat Jezus inderdaad een man Gods is, een man in wie Gods Geest werkzaam is. Daar waar onreine geesten een mens bezetten, hem vast zetten, daar maakt de heilige Geest vrij.

Onreine geesten en de geest van God, beiden hebben mensen nodig om hun werk te doen. Met beiden hebben wij als mens te maken. Wat heb ik met Jezus te maken? En wat heeft Jezus met mij te maken? Jezus kan mij vrij maken van onreine geesten, vrij van wat mij verhinderd om als mijzelf kind van God te zijn.

Jezus en ik
wij hebben iets met elkaar
mijn Redder en Heer is Hij
mijn Vrijmaker en Man Gods
in Gods liefde zijn wij verbonden
ik en Jezus de Heer.

Wat heb ik met Jezus te maken? En wat heeft Jezus met mij te maken?

Ik en Jezus de Heer
ik kan niet zonder Hem
door Hem ben ik wie ik ben
en met Hem en in Hem ben ik
in Gods liefde vrijgemaakt
Goddank!

Verlangen, verblijven en volgen

Van morgen in de eucharistieviering werden we uitgenodigd om stil te staan bij 3 V’s: Verlangen, verblijven en volgen. Hieronder mijn mijmeringen hierbij:

Verlangen
Wat verlang je? In het evangelie (Johannes 1, 35-42) stelt Jezus zijn leerlingen deze vraag. Wat verlang je? Deze vraag wordt vaak in verband gebracht met roeping. Wat is je verlangen? Wat is je passie? Ik ben al enige tijd op weg als geroepene. Verlangen spreekt bij mij wel een rol, maar niet in de zin dat ik daarmee de koers bepaal. Het is mijn verlangen naar God die mij naar Hem toe trekt. Van die beweging uit kan ik het antwoord van de leerlingen op de vraag: Wat verlang je?, begrijpen. Waar houdt Gij U op? Waar verblijft U? Een vraag die voortkomt uit het verlangen bij God en bij Jezus Christus te zijn.

Verblijven
Waar verblijft U? Het antwoord van Jezus: Kom maar mee om het te zien! En de leerlingen lopen een dag met Jezus mee om het te zien. En als ze het gezien hebben is hun reactie: wij hebben de Messias, de Christus, gevonden.
Hoe doen wij dat vandaag, een dagje met Jezus meelopen? bij Hem verblijven? Ik vermoed dat het, afhankelijk van je roeping, op verschillende manieren kan. Voor mij is het lezen van de Bijbel belangrijk. In die Geschriften kom ik God en Christus op het spoor. Maar ik ontmoet Hem ook onder en in de mensen. Hij is niet op 1 plek, Hij is waar wij Hem vinden en dat kan eigenlijk overal zijn. Waar moet ik dan heen? Ik weet het niet. Maar Hij wel! Voor mij is het belangrijk om in de kerk te zijn en in de stilte om Hem te kunnen horen. Hij weet waar ik Hem vinden kan en zal mij dat ook zeggen.

Volgen
Deze derde V is eigenlijk de eerste en de laatste. In het evangelie van vandaag begint het met volgen. Op de aanwijzing van Johannes de doper, ‘Zie het Lam Gods.’, gingen de leerlingen Jezus achterna. Toen Jezus zag dat zij Hem volgden, vroeg Hij: Wat verlang je?
En dan kun je er alleen maar komen door Hem te volgen, met Hem op weg te gaan. En Hij zal je brengen waarheen je niet wilt gaan… en toch: kom en zie!

Wat is je verlangen? U bent mijn verlangen, Heer, bij U wil ik zijn.
Wat is je verlangen? Uw wil te doen, Heer, U achterna!

En God zegt ook vandaag: Kom maar, luister en zie!

Wees wakker!

Wees dus Waakzaam, want je weet niet op welk uur de Mensenzoon komt!

Het evangelie (Mt. 25, 1-13) gaat over tien meisjes. Zij gaan hun Bruidegom tegemoet.

Als Matteüs zijn evangelie schrijft, leven de mensen in de verwachting dat Jezus de Christus zal wederkomen. Er begint zelfs al wat onrust te ontstaan omdat het zo lang duurt… en na zoveel jaren wachten we nog steeds.

Er zijn vijf wijze en vijf domme meisjes.  De domme hebben geen extra olie meegenomen om hun lamp bij te vullen. Zij hebben er geen rekening mee gehouden dat de komst van de Bruidegom misschien langer op zich laat wachten. Zij missen daarmee zijn komst! De vijf wijze meisjes hadden wel extra olie bij zich. Zij stonden klaar toen de Bruidegom kwam.

Het evangelie roept ons op waakzaam te zijn en op alles te zijn voorbereid. Het vraagt ons om wakker te blijven, niet in te suffen maar te blijven geloven en vertrouwen op de Heer. Het vraagt ons te blijven uitzien naar Hem, actief wakend en wachtend op de komst van de Heer.

Wees waakzaam en wakker,
Ik kom terug,
laat jullie niet alleen!

Wees waakzaam en wakker,
geloof in Mij,
geloof in de Belofte!

Wees waakzaam en wakker,
een open hart,
vrij voor Hem, de Mensenzoon!

Onze God heeft wakkere christenen nodig, mensen ‘ die het wel geloven’ …. nee, die het GELOVEN en die nooit op weg gaan zonder reserveolie om hun godslamp brandende te houden!

Een gezegende zondag ❤

Leef met alle mensen in vrede!

In de middagdienst lees ik de Brief aan de Romeinen. In hoofdstuk 12 (vanaf vers 3 lees ik verder).

  • Wij vormen samen in Christus één lichaam. Ieder afzonderlijk zijn we elkaars ledematen. Gebruik en doe de gave die jij geschonken hebt gekregen!
  • Uw liefde moet oprecht zijn. Verfoei het kwaad en houd vast aan het goede!
  • Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.
  • Leef met alle mensen in vrede!

De één staat niet boven de ander. Samen zijn we één en we hebben elkaar nodig. De één is niet beter dan de ander, er zijn slechts verschillende gaven. En we zijn geroepen onze gaven in te zetten voor het goede. We hoeven niet tegen het kwade te strijden. Het goede zal het kwade overwinnen.

Het goede doen, ieder naar eigen gave is leven in vrede met alle mensen!

Een levende, heilige offergave

In de middagdienst lees ik de Brief aan de Romeinen. De eerste twee verzen uit hoofdstuk 12 raken mij:

Wijd uzelf aan God toe als een levende, heilige offergave, Hem welgevallig. Dat is de geestelijke eredienst die u past.

Stem uw gedrag niet af op deze wereld. Word andere mensen, met een nieuwe gezindheid. Dan bent u in staat om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, welgevallig en volmaakt.

Mijn leven als offergave voor Hem!
Niet mijn wil, maar Zijn wil doen, ieder zijn roeping levend naar het Woord van Hem, de Allerhoogste. Eredienst en goede werken gaan hand in hand.

Joden en christenen, verbonden door ons geloof

In de middagdienst lees ik de Brief aan de Romeinen. In hoofdstuk 11  werd  ik aangesproken door Paulus die joden en christenen met elkaar verbonden houdt.

  • Paulus spreekt over een rest die is overgebleven dankzij een genadige uitverkiezing. Deze rest is een gezuiverde kern van een vernieuwd volk van God.
  • Paulus gebruikt het beeld van de wilde olijftak die wordt geënt op de edele olijf. Bedenk dat de wortel jou draagt en niet jij de wortel! Verhef je niet boven de takken!
  • De redding van Israël door de redder uit Sion! Het volk Israël blijft Gods geliefde volk (uitverkorenen).

Deze versie van Paulus is door de latere kerk overboord gezet omdat de kerk-uit-de-volkeren begon te gloriëren ten koste van het oude volk. Mij raakt de visie van Paulus wel. Jezus was zelf ook van het volk Israël (niet te verwarren met de huidige staat Israël). Als christen zijn wij dan deel van het vernieuwde volk van God. Tot lof van God!

Iedereen die gelooft!

In de middagdienst lees ik de Brief aan de Romeinen. Ik ben er een aantal weken tussenuit geweest. Ik neem de lezing van de Brief weer op.
In hoofdstuk 10  werd  ik opnieuw aangesproken door Paulus die zegt: iedereen die de naam van de Heer aanroept, zal gered worden!

Wie hoort? Wie is gehoorzaam of ongehoorzaam? Wie hoort erbij? Iedereen die gelooft! Dát was voor de joden niet te geloven. En hoe zit het met mij? Geloof ik dat iedereen die gelooft en die de naam van de Heer aanroept er bij hoort en zal worden gered?