Een koppig godsgeschenk

Vandaag gedenkt de R.K. Kerk de marteldood van de Johannes de Doper. In de ochtendviering zongen wij het lied ‘Een engel roept de oude man‘, een tekst van Andries Govaart bij Johannes de Doper. Het refrein:

Johannes is zijn naam,
Gods rijk kondigt hij aan,
hij wijst een nieuw bestaan,
een koppig geschenk.

Deze tekst nodigde mij uit om te mijmeren. Herodes heeft Johannes gevangen laten nemen en hij heeft hem laten onthoofden. We hebben het verhaal gelezen uit het evangelie volgens Marcus 6, 17-29. De vertelling over de marteldood van Johannes de Doper heeft Marcus tussen de zending en de terugkeer van de leerlingen geplaatst. Marcus maakt zo duidelijk: de weg van de navolging van Jezus kan je de kop kosten! Wie Hem wil navolgen in de verkondiging van het Rijk Gods, moet ook bereid zijn zijn leven te geven, zoals de Heer zelf dat gedaan heeft. Inderdaad in alle opzichten een koppig geschenk! Al mijmerend dacht ik: koppige mensen, daar wordt doorgaans niet zo positief naar gekeken. Maar vraagt de weg van het evangelie niet een bepaalde koppigheid, een trouwe hardnekkige volharding?

Een speelbal wordt hij in de dans
van vrees en wraak en tweedracht.
Dood door het zwaard, zijn hoofd de prijs,
begraven met een weeklacht.
Een rechte mens, van geest vervuld,
die Gods woord wel moet spreken;
tot op vandaag verwijst hij ons
naar Jezus’ levensteken.
Johannes is zijn naam,
Gods rijk kondigt hij aan,
hij wijst een nieuw bestaan,
een koppig geschenk.

God zegen uw Kerk met koppige mensen
trouw aan U, volhardend een antwoord levend
op Uw roep, door U gezonden. Amen.

Om te beminnen!

Vanmorgen kwam de 1e lezing uit Deuteronomium: ‘Jahweh, uw God, is de God der goden en de Heer der heren: de grote, sterke en ontzagwekkende God, die geen aanzien des persoons kent, en geen geschenken aanvaardt.Hij verschaft recht aan wees en weduwe, Hij bemint den vreemdeling, zodat Hij hem voedsel en kleding verschaft.Bemint dus den vreemdeling; want zelf waart gij vreemdeling in het land van Egypte.’ (Deut. 10, 17-19)

De vreemdeling beminnen is een van de dingen waartoe God zelf ons oproept. En ik heb gebeden voor de vluchtelingen en vreemdelingen in onze tijd. Dat zij liefdevol worden opgevangen.

Vanmiddag las ik in het Nederlands dagblad: Reddingsboot is niet welkom

Hoe ver staan we af van het koninkrijk Gods, dat rijk waar God regeert?! Vaak wordt God daar op aangekeken. Hoe kan er een God zijn als de wereld zo’n puinhoop is?

Aan Hem zal het niet liggen. Maar zijn wij bereid om handen en voeten te geven aan de komst van Gods koninkrijk? Bemint dus de vreemdeling en doe wat God ons vraagt!

Mensen van Uw Belofte: Ik ben

Vandaag een jaar geleden vierden Hanneke en ik voor het eerst in onze huiskapel. Het was en is een fijne plek om samen te vieren!

20181002_080707

Vanmorgen stond Genesis 28 centraal met het verhaal van Jakob. Jakob heeft zijn broer Esau de zegen ontnomen door bedrog. Vandaag in vers 10 – 22 lezen we hoe Jakob Berseba ontvlucht en op weg gaat naar Charan. Tijdens de slaap krijgt hij een droom:

‘Hij zag een ladder die op de aarde stond en helemaal tot de hemel reikte, en daarlangs zag hij Gods engelen omhoog gaan en afdalen. Ook zag hij de Heer bij zich staan, die zei: ‘Ik ben de Heer, de God van je voorvader Abraham en de God van Isaak. Het land waarop je nu ligt te slapen zal ik aan jou en je nakomelingen geven. Je zult zoveel nakomelingen krijgen als er stof op de aarde is; je gebied zal zich uitbreiden naar het westen en het oosten, naar het noorden en het zuiden. Alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als jij en je nakomelingen. Ikzelf sta je terzijde, ik zal je overal beschermen, waar je ook heen gaat, en ik zal je naar dit land terugbrengen; ik zal je niet alleen laten tot ik gedaan heb wat ik je heb beloofd.’ (Gen. 28, 12-15)

En Jakob, vol ontzag, richt de steen op die hij als zijn hoofdsteun had gebruikt en wijdt hem. Hij geeft de plaats de naam Betel en legt daar een gelofte af:

‘Als God mij terzijde staat en mij op deze reis beschermt, als hij mij brood te eten geeft en kleren aan mijn lichaam, en als ik veilig terugkom bij mijn verwanten, dan zal de Heer mijn God zijn. Deze steen die ik gewijd heb, zal dan een huis van God worden. En ik beloof dat ik U dan een tienden deel zal afstaan van alles wat U mij geeft.’ (Gen. 28, 20-22)

God raakt Jakob aan en herhaalt de belofte die hij eerder aan Abraham heeft gedaan. En Jakob neemt de belofte aan. Hij gaat op weg met de belofte als het ware in zijn rugzak. Dat is wel even anders dan de zekerheid die wij vaak vragen! De ervaring van Jakob dat hij de Heer aan zijn zijde heeft is voldoende.

Als gesproken lied, want de melodie kenden wij niet, hoorden wij een prachtige tekst van René van Loenen:

Het eerste licht raakt Jakob aan:
Ik ben.
Er is een lange weg te gaan.
Maar waar geen reisgenoot meer is
behoudt één naam betekenis:
Ik ben.

De naam die afdaalt in de nacht:
Ik ben,
die in een droom op Jakob wacht.
Ik ben het woord dat naar u taalt,
u voorgaat en u achterhaalt,
Ik ben.

Hij is op deze plaats geweest:
Ik ben.
De schepping ademt nog zijn geest.
Zelfs in een steen weerklinkt zijn naam,
de kracht die mensen op doet staan:
Ik ben.

O onuitsprekelijk geheim,
Ik ben.
Wil ons ook tegenwoordig zijn.
Hoe ontzagwekkend is de plaats
waar Gij op ons te wachten staan.
Ik ben.

(Tekst van René van Loenen; Nieuw Liedboek 815)

Ook op ons staat Hij te wachten. Merken wij Hem op?

Dat wij open staan
en de deur van ons hart wijd open zetten
voor U, Die is.
En dat wij, als Jakob
op weg durven gaan
waarheen Gij ons gaan doet
als mensen van Uw Belofte:
Ik ben.

Vrede wens ik jou!

‘Als jullie een huis binnengaan, zeg dan eerst: Vrede voor dit huis! Als er een vredelievend mens woont, zal jullie vrede met hem zijn; zo niet, dan zal die vrede bij je terugkeren.’ (Lc. 10, 5-6)

Vrede
Wie wil deze niet?
Vrede wens ik jou!

Waar vrede is, daar is God onder ons, zijn Koninkrijk gekomen.
De praktijk is weerbarstig; verdeeldheid, wolven drijven ons uiteen.
En toch zijn wij geroepen tot vrede, door alles heen roept Hij ons.
Wees niet bang, ga maar, als een lammetje van God, onder de wolven.
Twee aan twee, zo zend de Heer ons uit; wij zijn aan elkaar gegeven!
Gewapend met lege handen en een vredegroet: Vrede wens ik jou!
En Gods vrede gaat nooit verloren, komt goed terecht of keert terug.

Vrede
Wie wil deze niet?
Vrede wens ik jou!

Een nieuw jasje

cropped-blogknipsel-1.jpg

De laatste maanden heb ik geen blogs geschreven. De studie theologie, de stage, tentamens en werkstukken vroegen veel van mijn tijd. De komende maanden is het vakantietijd en hoop ik weer aan bloggen toe te komen.

Maar eerst heb ik mijn blog in een nieuw jasje gestoken en ik hoop dat jullie die waarderen. Opbouwende reacties zijn welkom!

Op de foto bovenaan zie je, naast een portretfoto van mij, een foto van een beeldje van Agnes van Praag (en de andere Agnes van het Lam Gods). Deze is genomen in het Agnes-klooster te Praag. Als Feminae Pacis zijn we daar in mei op studiereis geweest, in de voetsporen van Agnes van Praag oftewel: Agnes van Bohemen. En dat is de Agnes waar Clara van Assisi brieven naar schreef. We hebben er (tot op heden) vier teruggevonden. Agnes van Praag was een claris die in de geschiedenis van Clara en haar zusters een prominente plaats inneemt en het was bijzonder daar te zijn.

Tot ziens op mijn blog! Ik ben er weer.

 

 

Wie de wet in acht neemt brengt vele offers

foto: pixabay

De 1e lezing van vandaag raakte mij vanmorgen. Morgen begint de veertigdagentijd, een tijd van boete en inkeer, een tijd om te ‘offeren’, zou je kunnen zeggen. Jezus Sirach zegt helder waar het dan om gaat:

Houdt je aan de geboden, aan Gods Woord
leef het evangelie en de bijbel na!
Daarmee breng je een vredeoffer.
Het evangelie doen brengt vrede.

Doe goed, geef aan de armen
en deel wat je hebt met wie niet heeft!
Zo breng je een dankoffer
Delen met een ander is danken.

Breek met boosheid
en breek met onrecht!
Zo kom je tot verzoening.
Breken met het kwade maakt heel.

Zo doende kom je niet met lege handen
en jouw offer zal de Allerhoogste welgevallig zijn.
Geef aan Hem die zichzelf gegeven heeft,
geef wie je bent, geef wat Hij jou gegeven heeft!

Tot lof van God!

‘Wie de wet in acht neemt brengt vele offers, wie zich houdt aan de geboden, brengt daarmee een vredeoffer; wie een weldaad bewijst, brengt een spijsoffer, en wie een aalmoes geeft, brengt een dankoffer. De Heer heeft welgevallen in het breken met de boosheid, en breken met de ongerechtigheid is verzoening. Verschijn niet met lege handen voor de Heer, want al deze dingen eist het gebod. Het offer van de rechtvaardige maakt het altaar vet, en de welriekende geur ervan komt voor de Allerhoogste; het offer van een rechtvaardige is welgevallig; en de herinnering eraan wordt niet vergeten. Verheerlijk de Heer met een blij gelaat en onttrek niets aan de eerstelingen die gij moet geven; toon bij al uw gaven een vrolijk gezicht, en heilig de tienden met vreugde. Geef aan de Allerhoogste naar hetgeen Hij u geschonken heeft; geef met een blij gelaat en naar uw vermogen.’ (Sirach 35, 1-12)

Om hoe zij bedoeld is te zijn

https://www.facebook.com/plugins/video.php?href=https%3A%2F%2Fwww.facebook.com%2Fnederlandsdagblad%2Fvideos%2F2344765392422308%2F&show_text=1&width=560 (getuigenis van James)

Het getuigenis van James:
‘Hoe kan ik nog priester zijn
terwijl ik ben misbruikt door een van hen?’
breekt iets open in mij.
Mijn liefde voor de kerk
en mijn boosheid en verdriet
om de misdaden van mijn kerk.
Zo boos, zo verdrietig…
om het misbruik, seksueel, macht,
de structuren van de kerk die stelselmatig
de kleine en arme, de laagste in de hiërarchie
ontkennen en geweld aandoen.
Maar vooral de huichelarij,
het zich zo heilig en goed voordoen,
maar ondertussen….
Kan en wil ik nog zuster zijn
in en namens zo’n kerk?
Ik hou van die kerk, zij is mij lief
om wat zij zou moeten zijn,
om hoe zij bedoeld is te zijn.
En er zijn ook oprechte priesters,
eerlijke broeders en zusters
die hun leven geven juist voor de arme,
de gewone mensen onderop.
En ik zie hoe paus Franciscus zijn best doet
om het kwaad boven tafel te halen,
de kerk van binnenuit te zuiveren
en de structuren aan te passen.
Ik kan alleen maar bidden voor hem
en voor onze kerk. En doe dat ook.

‘Dat beschaamd en vernederd worden
wie mij naar het leven staan,
met schande terugwijken
wie mijn ongeluk zoeken,
beschaamd zich omkeren
wie de spot met mij drijven.’ (Ps. 70)

‘Heb je vijanden lief,
wees goed voor wie jullie haten,
zegen wie jullie vervloeken,
bid voor wie jullie slecht behandelen.
Wees barmhartig, oordeel niet,
veroordeel niet, vergeef en geef
dan zul je vergeven worden,
dan zal je gegeven worden
een goede overvolle maat.’ (Lc. 6, 27-38)

De zonde mag ik afwijzen, moet ik afwijzen
en benoemen, op tafel leggen,
Het kwaad moet aan het licht komen,
geen huichelarij, het kwade niet verbloemen.
Met liefde voor de zondaar, hoe moeilijk ook.
Dat laatste is echt heel moeilijk
en toch….
ook dat is de weg van de navolging van Christus.
Maar niet zonder het afwijzen van de zonde,
het doorbreken van de zwijgcultuur,
het onthullen van het toegedekte kwaad.

Kan en wil ik nog zuster zijn
in en namens zo’n kerk?
Ik hou van die kerk, zij is mij lief
om wat zij zou moeten zijn,
om hoe zij bedoeld is te zijn.
Van en namens die kerk wil ik zuster zijn!

Vrede en alle goeds, Marianne