Mijn eerste tattoo: Made with Love

In de viering van vanmorgen werd er stilgestaan bij de liefde, dit naar aanleiding van de tweede lezing uit de Brief van Paulus aan de Korintiers (12, 31-13, 13).

‘De liefde is lankmoedig en goedertieren, zij is niet afgunstig, praalt niet, beeldt zich niets in. Zij geeft niet om schone schijn, zij zoekt zichzelf niet, laat zich niet kwaad maken en rekent het kwade niet aan. De liefde verheugt zich niet over onrecht, maar vindt haar vreugde in de waarheid. Alles verdraagt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles duldt zij. De liefde vergaat nimmer.’

Wie God is? Hij is verborgen achter een sluier. Soms heel even zien we Hem…
in het voorbijgaan…
van achteren…

Wie God is? Wij geloven dat Hij ons het leven gegeven heeft en geeft
en soms zien wij Hem, waar Liefde zichtbaar wordt,
waar levensruimte wordt gegeven
en waar vriendschap en liefde bloeien mag.

Wie wilde kon zich na afloop van de viering laten tekenen. Mijn eerste tattoo is gezet: Made with Love.

God, we hebben U nog nooit gezien
en toch ben U zichtbaar, te zien waar
getekend wij zijn met Uw Naam en stempel:
Made with Love, een tattoo in ons hart.

God heeft ons met liefde geschapen,
getekend zijn wij door en met Hem,
toegerust om als Hem, de liefde te leven
als beelddragers van zijn eeuwige Naam.

Zo zijn wij allen kinderen van God,
geroepen om de Naam te leven
die Hij ons heeft gegeven: levende liefde
Made with Love, zijn wij, ook jij, ook jij!

 

 

Advertenties

Wachtende zien wij uit … (9)

‘Meester, wat moeten wij doen?’ (Lc. 3, 12)

Meester, wat moeten wij doen?
Delen van wat je hebt, met wie niet heeft!
en doe wat je moet doen, eerlijk en rechtvaardig!

Meester, wat moeten wij doen?
Jezus verwijst de tollenaars terug naar zichzelf:
vorder niet meer dan wat je is opgedragen!

Meester, wat moeten wij doen?
Jezus verwijst de soldaten terug naar zichzelf:
pers niemand af, laat je niet omkopen en neem genoegen met je soldij!

Meester, wat moet ik doen?
Jezus verwijst terug naar mijzelf:
doe wat je te doen staat, eerlijk en rechtvaardig!
Jezus heeft het ons voorgedaan.
Leef je roeping uit, ieder op eigen wijze naar de roeping,
en deelt met elkander, dat iedereen genoeg heeft,
leef voor elkaar, dan zal er licht en vrede zijn.

Wachtende zien wij uit … (8)

‘God wil niet dat er iemand verloren gaat’ (naar Mt. 18, 14)

Verloren lopen
wie doet het niet? nooit?
Voel jij je eenzaam?
Weet dat Hij je zoekt.
Hij, God, wil het niet
dat er iemand is
die verloren gaat.

Op zoek naar de mens
die verloren loopt
eenzaam en alleen
is Hij, God zoekt ons
zolang als nodig
tot wij Hem vinden!

Met dank aan mijn medezuster Hanneke van de Feminae Pacis die vanmorgen haar overweging eindigde met ‘dat Hij blijft zoeken tot ik vind.’

Wachtende zien wij uit … (7)

‘Vat moed en vrees niet; je God komt om je te redden!’ (Jes. 35, 4)

Vat moed en wanhoop niet
God zal er zijn, je redden
van je belagers.

Jesaja spreekt moed in
en droomt met open ogen
de toekomst open.

Wij zullen het zien, ja
als Hij komt, onze Redder
voor nu en altijd.

Kom, Heer God, kom nabij
wees licht in de duisternis
wij zien naar U uit!

Wachtende zien wij uit … (6)

‘Maak de weg van de Heer gereed!’ (Lc. 3, 4)

Maak de weg van de Heer gereed:
dat Hij komen kan, in de wereld;
dat Hij komen kan, bij jou!

Maak de weg van de Heer gereed:
Hij, God wil bij de mensen wonen;
Hij wil komen ook bij jou!

Maak de weg van de Heer gereed:
open de weg van je hart voor Hem;
dat je er bent, als Hij komt!

Hoe? Hoe zal Hij mij vinden dan?
Hoe de weg van Hem te bereiden?
Wees er, jij zelf, geen ander!

De weg van de Heer, van de Heer,
Zijn weg is het, Hij zal hem vinden,
keer je hart om, zie naar Hem!

Maak de weg van de Heer gereed:
Hoe kunt U zo naar mij verlangen?
Mijn God, ik verlang naar U!

God wil geen ander dan jou!

in de eerste lezing van deze dag word ik aangesproken door Baruch:
‘Jeruzalem, leg het gewaad van je verdriet en lijden af en hul je voorgoed in de waardigheid van Gods majesteit; sla de mantel van Gods gerechtigheid om en zet de kroon van de luister van de Eeuwige op je hoofd.’ (Baruch 5, 1-2)
Ik lees het hele boek Baruch, een beschrijving van het leven in ballingschap, de klacht en de troost. Een oproep aan de balling om zich om te keren en terug te keren naar God.

Over welk gewaad en welke mantel spreekt Baruch eigenlijk? Het gewaad van verdriet en lijden is het kleed dat afgelegd moet worden. En het nieuwe kleed: de mantel van Gods gerechtigheid. Welk kleed draag ik eigenlijk?

Ik denk dan aan het kleed dat ik 6 augustus 2000 heb ontvangen, mijn kloosterkleed, en daarbij het gebed: ‘Bevrijd haar van de oude mens en bekleed haar met de nieuwe mens. Doe haar meer en meer die mens worden zoals zij door U ten diepste is bedoeld.’ Mijn kloosterkleed stond en staat voor die nieuwe mens, die mens zoals ik door God ten diepste bedoeld ben. Tijdens mijn doop op mijn geboortedag heb ik eerder al het doopkleed ontvangen en mij bekleed met de nieuwe mens. Ik kan mij dat niet herinneren maar weet dat ik toen gedoopt ben en die woorden over mij uitgesproken zijn. En bij mijn inkleding in 2000 dus weer. Afgelopen jaar heb ik op het Clarafeest mij wederom gekleed in een nieuw kleed en daarbij wederom gebeden dat dit kleed een uitdrukking en teken mag zijn van die nieuwe mens.

Als mens onderweg loopt je kleed schade op, er komen rafels aan en het wordt vies. Van tijd tot tijd is er een wasbeurt nodig en herstelwerkzaamheden. En soms is het ook nodig dat er een nieuw kleed komt, omdat het oude niet meer past of versleten is, niet meer te herstellen. Zo groeit het kleed als het ware met je mee.

Wat blijft: bekleed je met de nieuwe mens, die mens die je bedoeld bent te zijn door God. Dat kan in een habijt, donkerbruin of lichter, maar ook in een spijkerbroek of jurkje. Waar het ten diepste om gaat is dat je leeft wie je bent en daarin zal zichtbaar zijn dat je er eentje van God bent!

Leg het gewaad van je verdriet en lijden af,
blijf niet hangen in wat voorbij is,
keer terug naar je God, Hij verlangt naar jou.

Leg het gewaad van je verdriet en lijden af,
zoek Hem niet in het verleden,
richt je op naar je God, Hij verlangt naar jou.

Bekleed je met de nieuwe mens,
die mens die God voor ogen heeft
als Hij denkt aan jou;
dát is de mantel van Gods gerechtigheid!

Zo gekleed mag je er zijn voor Hem en de mensen,
alleen zo gekleed kun je er werkelijk zijn,
God wil geen ander dan jou,
voor Hem en voor de mensen.
En dat is zo voor iedereen. God wil geen ander dan jou!