Het is nog niet te laat

2e zondag van de Advent

In de 1e week van de advent stond Jesaja 1-4 centraal: een oproep tot bekering. De mensen hebben zich een eigen God gemaakt en vereren allerlei afgoden. Jesaja roept de mensen op om zich af te keren van deze afgoden en zich toe te wenden naar de enige en ware God.

In de lezingen van de liturgie (RK) van vandaag werd ik geraakt door twee zinnen: ‘Bedenk dat het geduld van onze Heer uw redding is.’ (2 Petr. 3, 15a) en ‘Het recht gaat voor God uit en baant voor Hem de weg.’ (Psalm 85, 14) De mensen banen de weg voor de Heer waar zij zich houden aan Gods woord en recht doen. Is dit niet waar de profeet Jesaja de mensen toe oproept?

Het NBG leesrooster vervolgt de lezingen in de 2e week van de advent met de 1e Brief aan de Tessalonicenzen. Vandaag lezen we het eerste hoofdstuk en volgende week zondag het laatste deel van hoofdstuk 5.

1 Tess. 1, 1-10
‘Van Paulus, Silvanus en Timoteüs. Aan de gemeente in Tessalonica, die toebehoort aan God, de Vader, en de Heer Jezus Christus. Genade zij u en vrede. Wij danken God altijd voor u allen: wij noemen u onophoudelijk in onze gebeden en gedenken dan voor onze God en Vader hoeveel uw geloof tot stand brengt, hoe krachtig uw liefde is en hoe standvastig u blijft hopen op de komst van Jezus Christus, onze Heer. God heeft u lief, broeders en zusters. Wij weten dat hij u heeft uitgekozen: onze verkondiging aan u overtuigde immers niet alleen door onze woorden, maar ook door de overweldigende kracht van de heilige Geest. U weet hoeveel we voor u hebben betekend toen we in uw midden waren. U hebt ons nagevolgd, en daarmee de Heer: onder zware beproevingen hebt u het woord ontvangen met de vreugde van de heilige Geest. Zo bent u een voorbeeld voor alle gelovigen in Macedonië en Achaje geworden. Want het woord van de Heer heeft zich vanuit uw gemeente niet alleen in Macedonië en Achaje verspreid, uw geloof in God vindt ook weerklank buiten die gebieden. Wij hoeven daarover niets te vertellen; iedereen praat erover hoe wij door u zijn ontvangen en hoe u zich van de afgoden hebt afgewend om u tot God te keren – om hem, de levende en ware God, te dienen en om zijn Zoon te verwachten uit de hemel: Jezus, die hij uit de dood heeft doen opstaan en die ons zal redden van het komende oordeel.’(NBV)

Na de aanhef is het vooral een uiting van dankbaarheid. Paulus is dankbaar om hoe de mensen van Tessalonica zich hebben bekeerd, hoe zij het woord – gepredikt door Paulus en Silas, hebben aangenomen. In de brief lezen we hoe de beginnende kerk een missionaire kerk was. In de glorietijd van de kerk hebben we het missionaire wellicht wat uit het oog verloren, maar het woord van God wil graag als blijde boodschap worden verder gedragen. Paulus is verheugd en dankbaar om het geloof van de gemeente in Tessalonica en om hoe zij een voorbeeld zijn geworden voor anderen. De mensen van Tessalonica hebben eigenlijk gedaan waartoe de profeet Jesaja ons vorige week opriep: ze hebben zich afgewend van de afgoden om zich tot de levende en ware God te keren en Hem te dienen en zijn Zoon te verwachten. We zien in deze brief hoe het recht, het leven naar het Woord van God, de weg baant dat Hij komen kan. Deze woorden mogen ons inspireren en aansporen om in deze adventstijd de weg vrij te maken voor de (weder)komst van de Heer. Laten wij het geduld van de Heer niet langer op de proef stellen. Het is nog niet te laat.

Een tijd van voorbereiding

In de volgende hoofdstukken van Jesaja worden de visioenen verder uitgewerkt. De toekomst van God wordt getekend in schril contrast met de verwarring waarin de mensen nu leven. (Tekst voor Tekst, 1987, Zoetermeer)

1e week van de advent

Jesaja 2, 1-9
Dit zijn de woorden van Jesaja, de zoon van Amos; het visioen dat hij zag over Juda en Jeruzalem. Eens zal de dag komen dat de berg met de tempel van de HEER rotsvast zal staan, verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen. Alle volken zullen daar samenstromen, machtige naties zullen zeggen: ‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER, naar de tempel van Jakobs God. Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen.’ Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht, vanuit Jeruzalem spreekt de HEER. Hij zal rechtspreken tussen de volken, over machtige naties een oordeel vellen. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk, geen mens zal meer weten wat oorlog is. Nakomelingen van Jakob, kom mee, laten wij leven in het licht van de HEER. U hebt uw volk, Jakobs nakomelingen, verstoten. Zij waren ontvankelijk voor invloeden uit het Oosten, net als de Filistijnen lieten zij zich in met waarzeggerij, ze zijn met vreemde gebruiken vertrouwd geraakt. Ze vulden hun land met zilver en goud, hoe meer schatten, hoe beter. Ze vulden hun stallen met paarden, hoe meer wagens, hoe beter. Ze vulden hun huizen met afgoden, vereerden wat zij zelf hadden gemaakt, goden die ze vormden met hun eigen handen. Ze zullen vernederd worden, buigen zullen ze. Nee, vergeef het hun niet! (NBV)

Het is als een droom: de Vrede en zegen die er zal komen, het leven in het licht van de Heer: de toekomst van God. En daarnaast lezen we over hoe mensen vervreemd zijn geraakt van God en zich hebben ingelaten met vreemde gebruiken, hoe mensen zich een eigen god hebben gemaakt. God treedt hier op als rechter en klaagt degenen die Hem verlaten hebben aan. En Hij wijst de weg aan hen die willen worden geredt.

Jesaja 2, 10-22
Verschuil je tussen de rotsen, verberg je onder de grond, vlucht voor de vreselijke macht van de HEER, voor zijn geduchte majesteit. Wie hoogmoedig was, slaat de ogen neer, wie trots was, buigt het hoofd. Want de dag komt dat alleen de HEER hoog verheven is. Op die dag zal de HEER van de hemelse machten zich keren tegen ieder die hoogmoedig is en trots, tegen ieder die zich verheven acht – ze worden vernederd! –, tegen alle ceders van de Libanon die zich zo trots verheffen, tegen de eiken van Basan, tegen de bergen met hun trotse hoogte en de heuvels die zich hoog verheffen, tegen iedere hoge toren, tegen elke machtige muur, tegen alle trotse handelsschepen, schepen met kostbare lading. Wie hoogmoedig was, buigt het hoofd, wie trots was, bijt in het stof. Want de dag komt dat alleen de HEER hoog verheven is. Dan zullen de afgoden in het niets verdwijnen. Men schuilt weg in rotsspelonken, in holen in de grond, op de vlucht voor de vreselijke macht van de HEER, voor zijn geduchte majesteit, wanneer zijn komst de aarde schokt. Op die dag zullen de mensen de afgoden, gesmeed van hun zilver en goud, gemaakt om te vereren, prijsgeven aan ratten en vleermuizen. Ze zullen wegschuilen in rotsholen, in kloven en bergspleten, op de vlucht voor de vreselijke macht van de HEER, voor zijn geduchte majesteit, wanneer zijn komst de aarde schokt. Schenk de mens niet langer aandacht. Wat is hij zonder adem in zijn neus? Wat heeft hij te betekenen? (NBV)

De mens met zijn afgoden en zijn vertrouwen op eigen macht staat in scherp contrast met de macht van God. Veel beelden uit de schepping, alsof God daarin zegt wie Hij is: de machtige die alles heeft gemaakt. De hoogmoed van de mens die breekt en God die wederkomt als Allerhoogste.

Jesaja 3, 1-12
Voorwaar, God, de HEER van de hemelse machten, ontneemt Jeruzalem en Juda hun stut en steun: alle steun van brood en water, van krijgsheld en soldaat, rechter en profeet, waarzegger en oudste, bevelhebber, man van aanzien en raadsheer, tovenaar en bezweerder. Hij stelt kinderen als koning aan, willekeur zal er regeren. De mensen zullen elkaar verdringen, man tegen man, de een tegen de ander; een kind staat op tegen zijn ouders, een nietsnut tegen een man van eer. Een man grijpt in het ouderlijk huis zijn broer bij de arm en roept hem toe: ‘Jij hebt een mantel. Wees jij onze leider en ontferm je over deze chaos.’ Maar dan zal die zich verweren: ‘Verwacht niet dat ik jullie wonden heel. Ik heb in mijn huis geen voedsel, geen mantel. Stel mij niet aan als leider van het volk.’ Jeruzalem is gestruikeld, Juda is gevallen. Zij keren zich tegen de HEER in woord en daad, ze tarten hem openlijk in al zijn luister. Hun partijdigheid keert zich tegen hen, schaamteloos pronken ze met hun zonden, als Sodom. Wee hun, want ze berokkenen zichzelf kwaad. Gelukkig de rechtvaardige, het gaat hem goed, hij zal de vruchten plukken van zijn daden. Wee de goddeloze, hem gaat het slecht, al wat hij doet wordt hem vergolden. Door tirannen wordt mijn volk uitgebuit, woekeraars heersen erover. Mijn volk, jullie leiders zijn verleiders, zij brengen jullie op een dwaalspoor. (NBV)

Hoofdstuk drie schets het beeld van de situatie waar het volk van Jeruzalem en Juda in terecht zijn gekomen: een grote chaos. De hoogmoedige mens is gevallen en niemand durft meer leiding te nemen. Het onrechtvaardige handelen van de mens slaat terug op hemzelf. Onrecht eindigt in wanorde. (Tekst voor Tekst, 1987, Zoetermeer)

Jesaja 3, 13-4, 1
De HEER bereidt zijn rechtsgeding voor, hij staat klaar om over volken vonnis te wijzen. Zo luidt de aanklacht van de HEER tegen de oudsten en de vorsten van zijn volk: Jullie hebben mijn wijngaard in brand gestoken en jullie huizen gevuld met wat je de armen ontnam. Hoe durven jullie mijn volk te vertrappen en de armen zo zwaar te mishandelen? – spreekt God, de HEER van de hemelse machten. De HEER zegt: Kijk eens hoe hooghartig die vrouwen van Sion zijn; zie hen verwaand flaneren en verleidelijke blikken om zich heen werpen, hoor het rinkelen bij de trippelpasjes die ze maken. Daarom zal de HEER Sions vrouwen de sluier afrukken en hun voorhoofd ontbloten. Op die dag neemt hij hun alle opschik af: hun enkelringen, zonnetjes en maantjes, hun oorringen, armbanden en sluiers, hun hoofddoeken, enkelkettinkjes, borstlinten, reukflesjes en amuletten, de ringen aan hun handen en de ringetjes door hun neus, hun prachtige kleren, mantels, omslagdoeken en tasjes, hun doorschijnende gewaden, hemdjes, schouderdoeken en sjaals. Dan zal er stank zijn in plaats van balsemgeur en zullen er touwen zijn in plaats van gordels; kale schedels en geen fraaie kapsels, grove rouwkledij en geen mooie feestgewaden. Dit alles vervangt de schoonheid. Sions mannen zullen vallen door het zwaard, haar soldaten sneuvelen in de strijd. Rouw en droefenis heersen in haar poorten. Berooid hurkt Sion neer op de grond. Op die dag storten zeven vrouwen zich op één man: ‘Wij zullen zelf voor ons voedsel zorgen en in onze eigen kleding voorzien. Laat ons slechts uw naam dragen, neem de schande van ons weg.’ (NBV)

De Heer bereidt zijn rechtsgeding voor. Hij spreekt de mensen aan op wat zij hebben gedaan, de leiders als eerste. De mannen die zich hebben verrijkt in hun leidinggevende functies maken het voor een kleine groep vrouwen mogelijk om te leven in luxe, ten koste van de arme. Hun wereld van glitter veranderd in een doffe ellende. (Tekst voor Tekst, 1987, Zoetermeer)

Jesaja 4, 2-6
Op die dag zal de HEER het land tot bloei brengen, het zal als een kostbaar sieraad zijn. De rijke vrucht van het land zal elke Israëliet die ontkomen is met trots vervullen. Ieder die nog in Sion is, ieder die in Jeruzalem is achtergebleven, zal heilig genoemd worden, alle mensen in Jeruzalem die ten leven opgeschreven zijn. Wanneer de HEER het vuil van Sions vrouwen heeft weggewassen en het bloed van Jeruzalem heeft afgespoeld, door een zuiver oordeel en een zuiverend vuur, dan zal hij boven de plaats waar de Sion ligt en waar men bijeenkomt, een wolk scheppen voor overdag en een lichtend vuur met rook en vlammen voor de nacht. Zijn luister zal alles overdekken, als een hut die schaduw biedt in de hitte van de dag, en beschutting tegen storm en regen. (NBV)

Waar de rechtsverkrachter zijn/haar wereld ziet veranderen in doffe ellende, daar maakt de Heer het land tot een kostbaar sieraad. In dit land zal iedereen die overgebleven is, de heilige rest, tot bloei komen en leven, Het nieuwe Jeruzalem zal een stad zijn waar God in al zijn luister aanwezig is. Het beeld van God die als een wolk meetrekt met zijn volk (Ex. 13) wordt in herinnerinmg geroepen.

Advent
De lezingen zijn niet mals voor degene die het recht verkracht, zeker niet voor de mensen die op posities zitten waarin ze een verchil kunnen maken. De teksten van Jesaja roepen ons op, om ons te bekeren en niet langer aan God voorbij te leven. Dat is onze voorbereiding op kerst, op de komst van de Heer. In de hoofdstukken die we hierboven hebben gelezen lees ik terug dat ook de Heer zelf zich voorbereidt op zijn (weder)komst en op wat Hem als Redder te doen staat. De Heer zal komen om recht te spreken. Wij hoeven de toekomst niet te vrezen.

In afwachting van onze Redder

Deze advent staan de lezingen van het NBG-bijbelleesrooster centraal in mijn blogs. De lezingenreeks is eigenlijk gisteren al begonnen met Jesaja 1, 1-9. Vandaag op de zondag van de 1e advent vervolgen we Jesaja met hoofdstuk 1 vers 10-20, maandag volgt het slot van het eerste hoofdstuk. Deze advent starten we dus met het begin uit de profeet Jesaja. Deze naam betekent: ‘de Heer redt – uit de nood van de onderdrukking, onrecht, goddeloosheid en godverlating.’ (Tekst voor Tekst, 1987, Zoetermeer)

Jesaja 1, 1-9
‘Dit zijn de visioenen die Jesaja, de zoon van Amos, over Juda en Jeruzalem gezien heeft, toen Uzzia, Jotam, Achaz en Hizkia in Juda regeerden. Hoor toe, hemel, geef gehoor, aarde, de HEER heeft gesproken: Ik heb mijn kinderen opgevoed en grootgebracht, maar ze zijn tegen mij in opstand gekomen. Een rund herkent zijn meester, een ezel kent zijn voederbak, maar Israël mist elk inzicht, mijn volk leeft in onwetendheid. Wee dit ontrouwe volk, met schuld beladen, volk van zondaars, verdorven geslacht. Zij hebben de HEER verlaten, de Heilige van Israël versmaad, hem de rug toegekeerd. Ben je niet genoeg geslagen, verzet je je nog altijd? Heel je hoofd doet pijn, heel je hart is ziek. Van voetzool tot kruin, niets is ongeschonden: een en al wonden en builen en striemen,niet verbonden, niet verzorgd, niet met olie verzacht. Je land is verwoest, je steden zijn verbrand. Vreemden stropen onder je ogen de akkers af, vreemdelingen maken alles tot een woestenij. Wat rest er nog van Sion? Het is als een hut in een wijngaard, een schuilkeet in een komkommerveld, een stad in het nauw. Had de HEER van de hemelse machten ons niet een laatste rest gelaten, het zou ons zijn vergaan als Sodom en Gomorra.’ (NBV)

Jesaja begint met een aanklacht tegen het volk: geen inzicht, onwetendheid, ontrouw en met schuld beladen. Het volk heeft God de rug toegekeerd en onrecht is wat er heerst. Sodom en Gomorra, symbool voor vernietiging, zou ons vergaan, ware het niet dat de Heer van de hemelse machten ons een laatste rest gelaten heeft. Deze rest-gedachte heeft een dubbele betekenis: er blijven slechts weinigen over, een armzalige rest, en die enkelen zijn het hoopvolle begin van velen. (Tekst voor Tekst, 1987, Zoetermeer)

Jesaja 1, 10-20
‘Hoor de woorden van de HEER, leiders van Sodom, geef gehoor aan het onderricht van onze God, volk van Gomorra. Wat moet ik met al jullie offers? – zegt de HEER. Ik heb genoeg van die schapen, die vetgemeste kalveren; het bloed van stieren, rammen en bokken wil ik niet meer. En wanneer jullie voor mij verschijnen – wie heeft je gevraagd mijn voorhoven plat te lopen? Houd op met die zinloze offergaven. Ik heb een afschuw van jullie wierook; jullie feesten, nieuwemaan en sabbat, ik duld ze niet naast al dat wangedrag. Van jullie nieuwemaan, van ál jullie feesten heb ik een afkeer, ze hinderen mij, ik kan ze niet langer verdragen. Wanneer jullie je handen opheffen, wend ik mijn ogen af, ook als je aanhoudend bidt, luister ik niet. Aan jullie handen kleeft bloed! Was je, reinig je, maak een eind aan je misdaden, ik kan ze niet meer zien. Vermijd alle kwaad en leer goed te doen. Zoek het recht, houd tirannen in toom, bied wezen bescherming, sta weduwen bij. De HEER zegt: Laten we zien wie er in zijn recht staat. Al zijn je zonden rood als scharlaken, ze worden wit als sneeuw, al zijn ze rood als purper, ze worden wit als wol. Als je weer naar mij wilt luisteren, zal het beste van het land je ten deel vallen. Als je koppig bent en niet wilt luisteren, zul je vallen door het zwaard. De HEER heeft gesproken.’ (NBV)

Het vervolg van Jesaja maakt duidelijk dat het doen van recht meer is dan het doen van de offers en voldoen aan de wetten en gebeden. Jesaja laat de Heer stevige woorden spreken tegen de leiders en het volk van Sodom en Gomorra, de steden van onrecht en vernietiging. En hij roept op tot bekering, tot een werkelijk rechtvaardig leven. En hij laat de keuze aan zijn volk: luister je, dan komt het goed met jou en zal je leven worden bewaard, luister je niet dan zul je je leven verliezen. Onze eigen keuze maakt uiteindelijk uit of wij tot degenen behoren die gespaard blijven.

Jesaja 1, 21-31
‘Ach, de trouwe stad is een hoer geworden. Waar eens recht heerste en gerechtigheid woonde, daar huizen nu moordenaars. Je zilver is zwart en dof geworden, je wijn versneden met water. Je vorsten zijn schurken, ze houden het met dieven, ze denken alleen aan geschenken en steekpenningen. Wezen bieden ze geen bescherming, het lot van weduwen laat hen koud. Daarom – zo spreekt de Machtige, de HEER van de hemelse machten, de sterke God van Israël: Wee hun, ik zal me wreken op mijn tegenstanders, mijn woede koelen op mijn vijanden. Ik zal mij tegen je keren, je zilver zuiver ik met loog, al je vuil verwijder ik. Ik breng je rechters en raadgevers tot inkeer, het zal weer worden als voorheen. Dan zul je deze naam dragen: ‘Stad van gerechtigheid’, ‘Stad van trouw’. Sion zal verlost worden door recht en wie zich bekeert door gerechtigheid. Maar opstandige zondaars worden gebroken, wie de HEER verlaat, gaat ten onder. Dan zal men schande spreken van de terebinten die jullie zo vurig vereerden, men zal zich schamen voor de tuinen waar jullie hart naar uitging. Jullie worden als een terebint waarvan het blad verwelkt, als een tuin zonder water. Verworven schatten worden tot kaf en wie ze vergaarde tot een vonk; samen zullen ze branden en niemand dooft het vuur.’ (NBV)

De trouwe stad is een hoer geworden, een bolwerk van onrecht en zonde. De profetie van Jesaja zegt ons: God zal ons redden en het zal weer worden als voorheen. De opstandige zondaars worden gebroken, wie God verlaat gaat ten onder. God zal zijn stad zuiveren en het zal weer een trouwe stad worden, een stad van gerechtigheid.

Advent
Het eerste hoofdstuk van Jesaja zet ons op het spoor: we zijn in afwachting van onze Redder. In de profetie van Jesaja wordt ons de Messias aangekondigd, de komst van de Mensenzoon. Het boek Jesaja is in die zin een schakel tussen het oude of eerste testament en het nieuwe of tweede testament. In de tijd van Jesaja werd uitgezien naar de komst van de Gezalfde, de Christus. Wij in onze tijd zien uit naar zijn wederkomst. Met kerst vieren we de menswording van God in Jezus Christus en de advent bereidt ons voor op dat feest: dat we God ook vandaag verwelkomen in ons leven en dat we blijven bouwen op Hem, in het vertrouwen dat Hij zal wederkomen.

Het beeld van de hoer is ook één van de beelden die gebruikt worden voor de kerk: de kerk als hoer. Daar moest ik aan denken bij de lezing van Jesaja. De kerk is een kerk van mensen en daarmee van zondaars. Misbruik en onrecht komen we ook tegen binnen de kerk. De weken van de advent zijn, naast het vreugdevolle uitzien naar de geboorte van Christus, ook een tijd van inkeer en boete – om te zien wat het van ons vraagt om door God geredt te worden, als Hij komt. Vrede en alle goeds in deze adventstijd!

We zijn onderweg #40dagentijd

Dit jaar gaan we, als zusters van de Feminae Pacis, in de veertigdagentijd op weg met Dietrich Bonhoeffer*. Vanmorgen de eerste bijdrage: Alles wat nu gebeurt, is nog maar het voorlaatste. In tegenstelling tot het laatste, dat nog moet komen.

De richting van de weg is neergezet: het laatste.
En alles wat nu gebeurt is nog maar het voorlaatste.
Het voorlaatste is waar wij ons dagelijks druk om maken,
en dat vinden we best belangrijke dingen,
maar in het licht van waar we naar op weg zijn: het laatste,
is het voorlaatste vergankelijk en aards, niets.

De veertigdagentijd is een tijd om wat los te komen
van het voorlaatste waaraan we zo gehecht zijn,
om vrij te worden voor het laatste,
niet wetende wanneer dat zal zijn
– alleen Hij weet het uur,
voor ons is Hij die weg gegaan.

Een gezegende veertigdagentijd!

*Veertigdagentijd, onderweg met Dietrich Bonhoeffer, uitgever: Jongbloed

Zalig Kerstfeest en een gezegend nieuwjaar!

Alle lezers van mijn blog wens ik een goede opgang naar Kerstmis, zalig Kerstfeest en een gezegend nieuwjaar!

Het afgelopen jaar hebben jullie minder van mij gelezen. Door de studie theologie, die ik in de zomer hoop af te ronden, heb ik minder tijd om te bloggen. Ik hoop na mijn studie weer met grotere regelmaat iets te schrijven!

Laat nu het keerpunt zijn

De afgelopen dagen stond, naast Micha (2, 1-3, 12), de brief van Paulus aan de Filippenzen (1, 1-26) centraal:
Uit de Brief van Paulus aan de Filippenzen:

Ik dank mijn God altijd wanneer ik aan u denk, telkens wanneer ik voor u allen ​bid. Dat doe ik vol vreugde, omdat u vanaf de eerste dag tot nu toe hebt bijgedragen aan de verspreiding van het ​evangelieIk ben ervan overtuigd dat hij die dit goede werk bij u begonnen is, het ook zal voltooien op de ​dag van ​Christus​ ​JezusSommigen doen het weliswaar uit afgunst en rivaliteit, maar anderen verkondigen ​Christus​ met goede bedoelingen. Zij doen het uit ​liefde, in het besef dat ik de taak heb het ​evangelie​ te verdedigen. Maar wat doet het er eigenlijk toe! Wat telt is dat ​Christus​ verkondigd wordt. Of het nu uit valse of oprechte motieven gebeurt – dát het gebeurt verheugt me.’ (Filippenzen 1, 3-6.15-16.18)

Paulus heeft het over valse profeten, mensen die de Heer verkondigen om zelf beter van te worden. Paulus geeft aan dat we daar niet bang voor hoeven zijn. Het gaat er om dat Chistus wordt verkondigd. Tegelijkertijd moeten we waakzaam blijven en ons bewust zijn van het gegeven dat er valse profeten in ons midden zijn en om scherp te blijven naar onze eigen motieven bij het verkondigen van de blijde boodschap en daarbij niet onze eigen wil voor ogen te houden, maar de wil van God de Vader.

Vandaag werd ons Psalm 80 gegeven:

‘Laat nu het keerpunt zijn:
dat wij zoeken uw ogen
dat Gij zoekt ons gezicht.’

(H. Oosterhuis, in psalm 80 van 150 psalmen vrij)

Naar wie richt ik mijn oor?

We vervolgen de lezing uit Micha: ‘Houd op met dat geprofeteer! Komt er nooit een eind aan die beschimpingen? Zou dit het zijn wat het volk van Jakob is aangezegd? Verliest de HEER zo snel zijn geduld, zouden dit zijn daden zijn?’ Betekenen mijn woorden dan geen voorspoed voor wie de rechte weg gaat? Steeds weer stelt mijn volk zich vijandig op tegenover al wie vredelievend is. Nietsvermoedende, vreedzame voorbijgangers worden van hun mantel beroofd. Jullie verdrijven de vrouwen van mijn volk uit de huizen waarin zij gelukkig zijn. Jullie ontnemen hun kinderen voor altijd de luister waarmee ik hen heb bekleed. Sta op, ga weg, hier zul je geen rust vinden. Dit land is onrein, het brengt bederf en vreselijke vernietiging. 11Als er iemand was die niets dan wind en valse leugens verspreidt en profeteert: ‘Ik zie wijn en drank,’ dan zou dat voor dit volk de ware profeet zijn!’ (Micha 2, 6-11)

Zou dit het zijn wat het volk van Jakob is aangezegd? Verliest de HEER zo snel zijn geduld, zouden dit zijn daden zijn?’ Betekenen mijn woorden dan geen voorspoed voor wie de rechte weg gaat? (Micha 2, 7)

Micha zet de valse profeten tegenover de ware. Zou God dat werkelijk doen? Het roept bij mij de vraag op van de slang in het paradijs: heeft God werkelijk gezegd dat …? Naar wie richt ik mijn oor?

Degene die de rechte weg gaan hoeven niet te vrezen!

Sta op, ga weg, hier zul je geen rust vinden. Dit land is onrein, het brengt bederf en vreselijke vernietiging. (Micha 2. 10)

Sta op, ga weg en verlaat de weg van het onrecht. Laat het onreine land achter je en zie uit naar de ware profeet en zijn koninkrijk.

Micha houdt ons vandaag een keuze voor. Welke weg ga jij?

 

Het is voorbij!

‘Het is voorbij!’ zal men zeggen.

We zijn reddeloos verloren.

Ons erfdeel wordt verkwanseld,

het wordt ons ontnomen,

ons land onder afvalligen verdeeld.’ (Micha 2,4)

Als Feminae Pacis lezen we dit (kerkelijk) jaar volgens het leesrooster van het NBG.

De 1e zondag van de advent lezen we uit Micha 2, 1-5. We lezen hoe er een weeklacht wordt uitgesproken over de gewelddadige macht

hebbers. Een serieus begin dus! We mogen ons, ter voorbereiding op de komst van de Heer, bezinnen op hoe wij omgaan met onze macht of onmacht, hoe we omgaan met wat en wie er aan onze zorg is toevertrouwd. Er wordt ons aangezegd: het is voorbij!

Met de komst van Gods Zoon in onze wereld is het gedaan met de macht van de wetteloze, met de macht van de tiran, met de macht van de misbruiker van macht.

Het is voorbij, zal met de komst van de Mensenzoon, ook opgaan voor de slachtoffers van machtsmisbruik, de vertrapten en misbruikten. Voor hen is de redding nabij: gedaan zal het zijn met het onrecht waar jullie onder gebukt gaan.

Maar wee degene die zijn macht misbruikt… en waar sta ik?

Het is nog niet te laat. Kom tot inkeer! Een Redder is ons aangezegd!

 

Wij staan er niet alleen voor

Stille Zaterdag sta ik stil bij de dag van gisteren en waak bij het graf van Jezus.

Jezus zag op naar de hemel en bad.
Hij sliep niet, nee
waar wij slapen daar waakte Hij.
Gekroond met een doornenkroon
spottend bedoeld, ja
Koning is Hij door alle lijden heen.
Hij waakt over heel zijn volk
en gaf zijn leven voor mij.
Het kruis gedragen,
Zijn kruis – ons kruis  door Hem
gedragen. Een zware klus.
Wij staan er niet alleen voor.
En nu zijn we stil
lamgeslagen
maar niet zonder hoop.
Ik kom terug, zo heeft Hij ons beloofd,
leven sterken dan de dood.
Wij staan er niet alleen voor.

Kiezen voor het leven

Vandaag is aan ons de keuze: kies ik voor de dood of voor het leven? ‘Door de Heer uw God te beminnen, naar Hem te luisteren en aan Hem gehecht te blijven, kies je voor het leven. Want daarvan hangt het af, of gij zult leven en of gij lang zult wonen op de grond,die de Heer aan uw vaderen, aan Abraham, Isaak en Jakob onder ede heeft toegezegd.‘ (Deut. 30,20)

Wat is het leven?
Wat is echt leven?
Wat is levengevend voor mij?
En wat is moordend?
Wat beneemt mij het leven?

Het leven is niet dat mijn hart klopt, mijn hersens werken, dat ik biologisch gezien leef. Natuurlijk ook dat is leven, maar toch is dit het ook niet.
Echt leven heeft voor mij met mijn ziel te maken. Een levend lichaam kan een dode ziel dragen. Echt leven is een levend lichaam met een levende ziel.

Wat heeft mijn ziel nodig om te leven? Mijn antwoord op die vraag is: de liefde van God en van mensen. Ik hou van God en voel mij door Hem geliefd. Als je iemand lief hebt, dan luister je ook naar hem ekin dan vertel je hem wat jou bezighoud. Dat gaat ook op voor God. Hem liefhebben maakt dat je luistert naar en spreekt met Hem. Zo’n relatie is levengevend.

Het is het niet verbonden zijn, het niet gezien, niet gehoord worden, het niet geliefd zijn wat moordend is.

Kiezen voor het leven is God liefhebben, met heel je hart en heel je ziel, en vanuit die liefde naar Hem luisteren, en met Hem in gesprek gaan. Leven vanuit die relatie, die gehechtheid aan Hem.

Gods liefde en mijn liefde voor Hem sluiten de liefde van mensen niet uit, integendeel. God vraagt ons ook elkaar te beminnen. Zo leven is echt leven.

Tot lof van God!