Wat de liefde van God vermag

2e week van de Advent

De komende dagen vervolgt het NBG leesrooster de lezing van de 1e Brief aan de Tessalonicenzen. In deze blog sta ik stil bij hoofdstuk 3 en 4.

1 Tess 3, 1-13 (woensdag)
‘Omdat we het niet langer uithielden, besloten we Timoteüs naar u toe te sturen, onze broeder en Gods medewerker in de verkondiging van het evangelie van Christus. Zelf bleven we in Athene achter. Timoteüs moest u sterken en aanmoedigen in uw geloof, zodat u zich niet uit het veld zou laten slaan door de tegenspoed die u ondervindt. U weet tenslotte zelf dat wij die moeten ondergaan. Toen we bij u waren, hebben we u al gezegd dat ons tegenspoed te wachten stond; die is dan ook gekomen, zoals u ondervonden hebt. Ik heb Timoteüs dus gestuurd omdat ik het niet langer kon uithouden. Ik wilde weten of uw geloof standhield, want ik was bang dat de verleider u had verleid en onze inspanningen voor niets waren geweest. Maar nu is Timoteüs teruggekomen met het goede bericht over uw geloof en liefde. Hij heeft ons bovendien verteld hoezeer u ons altijd als voorbeeld neemt en hoe u er even vurig naar verlangt ons te zien als wij u. Daardoor, broeders en zusters, zijn we over u gerustgesteld. In al onze nood en ellende voelen we ons gesterkt door uw geloof, want nu opnieuw blijkt dat de Heer uw fundament is, leven we weer op. Kunnen we God ooit genoeg voor u danken? Kunnen we hem ooit genoeg danken voor de vreugde die hij ons met u geschonken heeft? Wij bidden dag en nacht met volle overgave dat we u weer zullen zien en kunnen aanvullen wat er nog aan uw geloof ontbreekt. Mogen God, onze Vader, en onze Heer Jezus ons pad naar u leiden. Moge de Heer uw liefde voor elkaar en ieder ander groter maken, zodat uw liefde even overvloedig wordt als onze liefde voor u. Moge de Heer u door die liefde kracht geven, zodat u zuiver en heilig voor onze God en Vader zult staan wanneer onze Heer Jezus komt met al de zijnen. Amen.’ (NBV)

Paulus is verheugt over de volharding in het geloof, dat de Tessalonicenzen zich niet door tegenslag en tegenstand van de weg van het evangelie hebben laten afbrengen. Tegenspoed en tegenstand is een beproeving van het geloof. Als ik terugdenk aan deze periodes in mijn eigen leven dan ben ik dankbaar dat door alles heen ik mijn geloof heb behouden. Sterker nog: mijn geloof heeft mij er doorheen geholpen. God was met mij in de stormen en in de donkere nachten van mijn leven. Ik ben er sterker uitgekomen en het heeft mijn band en liefde voor mijn God verstevigd.

In hoofdstuk drie spreekt Paulus ook over de liefde. Dit woord geeft de kleur aan van Gods aanwezigheid. God is de liefdevolle Aanwezige. Juist in die donkere nachten gaf Hij mij de kracht en het geloof om door te gaan en erop te vertrouwen dat het goed zou komen. Zijn liefde voor mij heeft mij gezuiverd en mij op de goede weg gezet. De gemeente van Tessalonica is vandaag in de lezing als een spiegel waarin ik mij herken, en waarin ik zie wat de liefde van God vermag – ook vandaag.

1 Tess. 4, 1-12 (donderdag)
‘Broeders en zusters, in naam van de Heer Jezus vragen we u met klem te leven zoals wij het u hebben geleerd, dus zo dat het God behaagt. U doet dat al, maar wij sporen u aan het nog veel meer te doen. U kent de voorschriften die wij u op gezag van de Heer Jezus hebben gegeven. Het is de wil van God dat u een heilig leven leidt: dat u zich onthoudt van ontucht, dat ieder van u zijn lichaam heiligt en in eerbaarheid weet te beheersen en dat u niet zoals de ongelovigen, die God niet kennen, toegeeft aan uw hartstocht en begeerte. Schaad of bedrieg uw broeder of zuster in dit opzicht niet, want de Heer vergeldt dit alles, zoals wij u vroeger al nadrukkelijk hebben voorgehouden. God heeft ons niet geroepen tot zedeloosheid, maar tot een heilig leven. Dus wie deze voorschriften verwerpt, verwerpt niet een mens, maar God, die u zijn heilige Geest geeft. Over de onderlinge liefde hoeven wij u niets te schrijven, want u hebt zelf van God geleerd hoe u in liefde met elkaar moet omgaan. U doet dat al met alle gelovigen in heel Macedonië, maar, broeders en zusters, wij sporen u aan het nog veel meer te doen en er een eer in te stellen in alle rust uw eigen zaken te behartigen en uw eigen brood te verdienen. Dat hebben wij u opgedragen, opdat u een eerzaam leven zult leiden in de ogen van hen die niet tot de gemeente behoren, en u van niemand afhankelijk bent.’ (NBV)

Dit gedeelte spreekt over een heilig leven: ‘Het is de wil van God dat u een heilig leven leidt.’ Deze heiliging is geen eigen verdienste en kan niet door eigen inzet worden verkregen. Onze heiligheid is gegeven door God zelf – het is Zijn heiligheid waarin wij door Hem geheiligd worden. Zoals we in Leviticus 19 lezen: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig.’ In bovenstaande lezing spitst Paulus het toe op de seksualiteit en zedeloosheid, op ‘de ingevreten zucht om de ander te bezitten’ (Tekst voor Tekst, 1987, Zoetermeer).

God heeft zijn heilige Geest gegeven, de Geest die ons een heilig leven leert en geeft. De woorden van Paulus kunnen wat wettisch overkomen, toegespitst op het naleven van voorschriften. Volgens mij is dat niet waar het hier om gaat, dan zou het namelijk gaan om een heiligheid die je kan verdienen door nauwgezet aan de voorschriften te voldoen. Volgens mij gaat het hier om de liefdesband met God de Vader, het leven vanuit de Geest die God ons gegeven heeft en geeft. De broederliefde komt daaruit voort.

De laatste opmerking over het verdienen van je eigen brood is ingegeven door het feit dat er mensen zijn in Tessalonica die hun gewone arbeid hebben gestaakt met een beroep op de spoedige wederkomst van de Heer. Deze mag geen alibi zijn om lui te worden of om op andermans zak te teren. (Tekst voor Tekst, 1987, Zoetermeer)

Ik moet hierbij denken aan Dietrich Bonhoeffer die in zijn Ethiek schrijft over ‘voorlaatste’ en ‘laatste’, waarbij het ‘laatste’ voor de wederkomst van Christus en de redding van de mensen staat. Het ‘voorlaatste’ is alles wat daar aan vooraf gaat. We leven gericht op het ‘laatste’, maar in het ‘voorlaatste’. We moeten niet leven alsof we al in het ‘laatste’ zijn aangekomen – dat zal gebeuren op Gods tijd. Ondertussen kunnen wij alleen maar bidden, werken en wachten op Gods uur.

1 Tess. 4, 13-18 (vrijdag)
‘Broeders en zusters, wij willen u niet in het ongewisse laten over de doden, zodat u niet hoeft te treuren, zoals zij die geen hoop hebben. Want als wij geloven dat Jezus is gestorven en is opgestaan, moeten wij ook geloven dat God door Jezus de doden naar zich toe zal leiden, samen met Jezus zelf. Wij zeggen u met een woord van de Heer: wij, die in leven blijven tot de komst van de Heer, zullen de doden in geen geval voorgaan. Wanneer het signaal gegeven wordt, de aartsengel zijn stem verheft en de bazuin van God weerklinkt, zal de Heer zelf uit de hemel neerdalen. Dan zullen eerst de doden die Christus toebehoren opstaan, en daarna zullen wij, die nog in leven zijn, samen met hen op de wolken worden weggevoerd en gaan we in de lucht de Heer tegemoet. Dan zullen we altijd bij hem zijn. Troost elkaar met deze woorden.’ (NBV)

Bovenstaande is niet bedoeld als ‘theologie aangaande het laatste’, maar heeft een pastorale bedoeling. (Tekst voor Tekst, 1987, Zoetermeer) Paulus schetst in bekende beelden vanuit de Schrift een beeld van het ‘laatste’, om de gemeente van Tessalonica hoop te bieden. De verwachting was dat de wederkomst spoedig zou zijn en dat velen van de toen levende mensen dit zouden meemaken. Er is onrust als de wederkomst uitblijft en mensen sterven. Wat gebeurt er met hen? Paulus spreekt de mensen moed in: God zal bij zijn wederkomst levenden en doden naar zich toetrekken en wij zullen voor altijd bij Hem zijn.

Ik merk bij mijzelf dat ik daar niet zo mee bezig ben. Ik geloof dat er na de dood een leven bij God is en dat is voor mij genoeg. Hoe dat nu precies is voor de mensen die al gestorven zijn of voor de nog levenden bij de wederkomst van de Heer maakt mij niet zoveel uit. Maar mensen verschillen en dan is het goed dat Paulus de gemeente moed inspreekt, waar het perspectief op het ‘laatste’ wat aan het verdwijnen is. Ook nu vind ik inspiratie bij Bonhoeffer, zoals bij het stukje over de eerste verzen van hoofdstuk 4.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s