Een tijd van voorbereiding

In de volgende hoofdstukken van Jesaja worden de visioenen verder uitgewerkt. De toekomst van God wordt getekend in schril contrast met de verwarring waarin de mensen nu leven. (Tekst voor Tekst, 1987, Zoetermeer)

1e week van de advent

Jesaja 2, 1-9
Dit zijn de woorden van Jesaja, de zoon van Amos; het visioen dat hij zag over Juda en Jeruzalem. Eens zal de dag komen dat de berg met de tempel van de HEER rotsvast zal staan, verheven boven de heuvels, hoger dan alle bergen. Alle volken zullen daar samenstromen, machtige naties zullen zeggen: ‘Laten we optrekken naar de berg van de HEER, naar de tempel van Jakobs God. Hij zal ons onderrichten, ons de weg wijzen, en wij zullen zijn paden bewandelen.’ Vanaf de Sion klinkt zijn onderricht, vanuit Jeruzalem spreekt de HEER. Hij zal rechtspreken tussen de volken, over machtige naties een oordeel vellen. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk, geen mens zal meer weten wat oorlog is. Nakomelingen van Jakob, kom mee, laten wij leven in het licht van de HEER. U hebt uw volk, Jakobs nakomelingen, verstoten. Zij waren ontvankelijk voor invloeden uit het Oosten, net als de Filistijnen lieten zij zich in met waarzeggerij, ze zijn met vreemde gebruiken vertrouwd geraakt. Ze vulden hun land met zilver en goud, hoe meer schatten, hoe beter. Ze vulden hun stallen met paarden, hoe meer wagens, hoe beter. Ze vulden hun huizen met afgoden, vereerden wat zij zelf hadden gemaakt, goden die ze vormden met hun eigen handen. Ze zullen vernederd worden, buigen zullen ze. Nee, vergeef het hun niet! (NBV)

Het is als een droom: de Vrede en zegen die er zal komen, het leven in het licht van de Heer: de toekomst van God. En daarnaast lezen we over hoe mensen vervreemd zijn geraakt van God en zich hebben ingelaten met vreemde gebruiken, hoe mensen zich een eigen god hebben gemaakt. God treedt hier op als rechter en klaagt degenen die Hem verlaten hebben aan. En Hij wijst de weg aan hen die willen worden geredt.

Jesaja 2, 10-22
Verschuil je tussen de rotsen, verberg je onder de grond, vlucht voor de vreselijke macht van de HEER, voor zijn geduchte majesteit. Wie hoogmoedig was, slaat de ogen neer, wie trots was, buigt het hoofd. Want de dag komt dat alleen de HEER hoog verheven is. Op die dag zal de HEER van de hemelse machten zich keren tegen ieder die hoogmoedig is en trots, tegen ieder die zich verheven acht – ze worden vernederd! –, tegen alle ceders van de Libanon die zich zo trots verheffen, tegen de eiken van Basan, tegen de bergen met hun trotse hoogte en de heuvels die zich hoog verheffen, tegen iedere hoge toren, tegen elke machtige muur, tegen alle trotse handelsschepen, schepen met kostbare lading. Wie hoogmoedig was, buigt het hoofd, wie trots was, bijt in het stof. Want de dag komt dat alleen de HEER hoog verheven is. Dan zullen de afgoden in het niets verdwijnen. Men schuilt weg in rotsspelonken, in holen in de grond, op de vlucht voor de vreselijke macht van de HEER, voor zijn geduchte majesteit, wanneer zijn komst de aarde schokt. Op die dag zullen de mensen de afgoden, gesmeed van hun zilver en goud, gemaakt om te vereren, prijsgeven aan ratten en vleermuizen. Ze zullen wegschuilen in rotsholen, in kloven en bergspleten, op de vlucht voor de vreselijke macht van de HEER, voor zijn geduchte majesteit, wanneer zijn komst de aarde schokt. Schenk de mens niet langer aandacht. Wat is hij zonder adem in zijn neus? Wat heeft hij te betekenen? (NBV)

De mens met zijn afgoden en zijn vertrouwen op eigen macht staat in scherp contrast met de macht van God. Veel beelden uit de schepping, alsof God daarin zegt wie Hij is: de machtige die alles heeft gemaakt. De hoogmoed van de mens die breekt en God die wederkomt als Allerhoogste.

Jesaja 3, 1-12
Voorwaar, God, de HEER van de hemelse machten, ontneemt Jeruzalem en Juda hun stut en steun: alle steun van brood en water, van krijgsheld en soldaat, rechter en profeet, waarzegger en oudste, bevelhebber, man van aanzien en raadsheer, tovenaar en bezweerder. Hij stelt kinderen als koning aan, willekeur zal er regeren. De mensen zullen elkaar verdringen, man tegen man, de een tegen de ander; een kind staat op tegen zijn ouders, een nietsnut tegen een man van eer. Een man grijpt in het ouderlijk huis zijn broer bij de arm en roept hem toe: ‘Jij hebt een mantel. Wees jij onze leider en ontferm je over deze chaos.’ Maar dan zal die zich verweren: ‘Verwacht niet dat ik jullie wonden heel. Ik heb in mijn huis geen voedsel, geen mantel. Stel mij niet aan als leider van het volk.’ Jeruzalem is gestruikeld, Juda is gevallen. Zij keren zich tegen de HEER in woord en daad, ze tarten hem openlijk in al zijn luister. Hun partijdigheid keert zich tegen hen, schaamteloos pronken ze met hun zonden, als Sodom. Wee hun, want ze berokkenen zichzelf kwaad. Gelukkig de rechtvaardige, het gaat hem goed, hij zal de vruchten plukken van zijn daden. Wee de goddeloze, hem gaat het slecht, al wat hij doet wordt hem vergolden. Door tirannen wordt mijn volk uitgebuit, woekeraars heersen erover. Mijn volk, jullie leiders zijn verleiders, zij brengen jullie op een dwaalspoor. (NBV)

Hoofdstuk drie schets het beeld van de situatie waar het volk van Jeruzalem en Juda in terecht zijn gekomen: een grote chaos. De hoogmoedige mens is gevallen en niemand durft meer leiding te nemen. Het onrechtvaardige handelen van de mens slaat terug op hemzelf. Onrecht eindigt in wanorde. (Tekst voor Tekst, 1987, Zoetermeer)

Jesaja 3, 13-4, 1
De HEER bereidt zijn rechtsgeding voor, hij staat klaar om over volken vonnis te wijzen. Zo luidt de aanklacht van de HEER tegen de oudsten en de vorsten van zijn volk: Jullie hebben mijn wijngaard in brand gestoken en jullie huizen gevuld met wat je de armen ontnam. Hoe durven jullie mijn volk te vertrappen en de armen zo zwaar te mishandelen? – spreekt God, de HEER van de hemelse machten. De HEER zegt: Kijk eens hoe hooghartig die vrouwen van Sion zijn; zie hen verwaand flaneren en verleidelijke blikken om zich heen werpen, hoor het rinkelen bij de trippelpasjes die ze maken. Daarom zal de HEER Sions vrouwen de sluier afrukken en hun voorhoofd ontbloten. Op die dag neemt hij hun alle opschik af: hun enkelringen, zonnetjes en maantjes, hun oorringen, armbanden en sluiers, hun hoofddoeken, enkelkettinkjes, borstlinten, reukflesjes en amuletten, de ringen aan hun handen en de ringetjes door hun neus, hun prachtige kleren, mantels, omslagdoeken en tasjes, hun doorschijnende gewaden, hemdjes, schouderdoeken en sjaals. Dan zal er stank zijn in plaats van balsemgeur en zullen er touwen zijn in plaats van gordels; kale schedels en geen fraaie kapsels, grove rouwkledij en geen mooie feestgewaden. Dit alles vervangt de schoonheid. Sions mannen zullen vallen door het zwaard, haar soldaten sneuvelen in de strijd. Rouw en droefenis heersen in haar poorten. Berooid hurkt Sion neer op de grond. Op die dag storten zeven vrouwen zich op één man: ‘Wij zullen zelf voor ons voedsel zorgen en in onze eigen kleding voorzien. Laat ons slechts uw naam dragen, neem de schande van ons weg.’ (NBV)

De Heer bereidt zijn rechtsgeding voor. Hij spreekt de mensen aan op wat zij hebben gedaan, de leiders als eerste. De mannen die zich hebben verrijkt in hun leidinggevende functies maken het voor een kleine groep vrouwen mogelijk om te leven in luxe, ten koste van de arme. Hun wereld van glitter veranderd in een doffe ellende. (Tekst voor Tekst, 1987, Zoetermeer)

Jesaja 4, 2-6
Op die dag zal de HEER het land tot bloei brengen, het zal als een kostbaar sieraad zijn. De rijke vrucht van het land zal elke Israëliet die ontkomen is met trots vervullen. Ieder die nog in Sion is, ieder die in Jeruzalem is achtergebleven, zal heilig genoemd worden, alle mensen in Jeruzalem die ten leven opgeschreven zijn. Wanneer de HEER het vuil van Sions vrouwen heeft weggewassen en het bloed van Jeruzalem heeft afgespoeld, door een zuiver oordeel en een zuiverend vuur, dan zal hij boven de plaats waar de Sion ligt en waar men bijeenkomt, een wolk scheppen voor overdag en een lichtend vuur met rook en vlammen voor de nacht. Zijn luister zal alles overdekken, als een hut die schaduw biedt in de hitte van de dag, en beschutting tegen storm en regen. (NBV)

Waar de rechtsverkrachter zijn/haar wereld ziet veranderen in doffe ellende, daar maakt de Heer het land tot een kostbaar sieraad. In dit land zal iedereen die overgebleven is, de heilige rest, tot bloei komen en leven, Het nieuwe Jeruzalem zal een stad zijn waar God in al zijn luister aanwezig is. Het beeld van God die als een wolk meetrekt met zijn volk (Ex. 13) wordt in herinnerinmg geroepen.

Advent
De lezingen zijn niet mals voor degene die het recht verkracht, zeker niet voor de mensen die op posities zitten waarin ze een verchil kunnen maken. De teksten van Jesaja roepen ons op, om ons te bekeren en niet langer aan God voorbij te leven. Dat is onze voorbereiding op kerst, op de komst van de Heer. In de hoofdstukken die we hierboven hebben gelezen lees ik terug dat ook de Heer zelf zich voorbereidt op zijn (weder)komst en op wat Hem als Redder te doen staat. De Heer zal komen om recht te spreken. Wij hoeven de toekomst niet te vrezen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s