Om te beminnen!

Vanmorgen kwam de 1e lezing uit Deuteronomium: ‘Jahweh, uw God, is de God der goden en de Heer der heren: de grote, sterke en ontzagwekkende God, die geen aanzien des persoons kent, en geen geschenken aanvaardt.Hij verschaft recht aan wees en weduwe, Hij bemint den vreemdeling, zodat Hij hem voedsel en kleding verschaft.Bemint dus den vreemdeling; want zelf waart gij vreemdeling in het land van Egypte.’ (Deut. 10, 17-19)

De vreemdeling beminnen is een van de dingen waartoe God zelf ons oproept. En ik heb gebeden voor de vluchtelingen en vreemdelingen in onze tijd. Dat zij liefdevol worden opgevangen.

Vanmiddag las ik in het Nederlands dagblad: Reddingsboot is niet welkom

Hoe ver staan we af van het koninkrijk Gods, dat rijk waar God regeert?! Vaak wordt God daar op aangekeken. Hoe kan er een God zijn als de wereld zo’n puinhoop is?

Aan Hem zal het niet liggen. Maar zijn wij bereid om handen en voeten te geven aan de komst van Gods koninkrijk? Bemint dus de vreemdeling en doe wat God ons vraagt!

Doe dat en je zult leven!

‘Je toont God je gehoorzaamheid door de geboden te volbrengen die in de Wet staan opgeschreven en door met hart en ziel Hem toe te behoren. En de geboden die Ik jou vandaag geef zijn niet te zwaar, ze liggen niet buiten je bereik, zijn niet onbereikbaar ver. Nee, die geboden zijn heel dichtbij, je kunt ze je eigen maken, je kunt ze volbrengen!’ (vrij naar Deut. 30, 10 – 14)

help-1019912_1920

Met bovenstaande woorden (vanuit de eerste lezing van vandaag) luisterde ik vanmorgen naar de evangelielezing, het bekende verhaal van de barmhartige samaritaan (Lc. 10, 25-37) als antwoord op de vraag van de wetgeleerde aan Jezus: ‘Meester wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’ ‘Wat lees je in de Wet?’ vraagt Jezus. En de wetgeleerde antwoordde: ‘Heb de Heer, je God, lief met heel je hart en met heel je ziel en met heel je kracht, en je naaste als jezelf.’ De wetgeleerde geeft het goede antwoord. ‘Doe dat en je zult leven!’ Maar de wetgeleerde wil zichzelf rechtvaardigen en vraagt dan: ‘Wie is mijn naaste?’ En dan volgt de bekende parabel waarin de priester en de leviet de gewonde man als dood laten liggen en er met een boog om heen lopen en de samaritaan medelijden krijgt en de zorg voor de gewonde man op zich neemt.

Zo dichtbij als die gewonde man, zo dichtbij is het Woord dat God dat concreet op ons af komt. ‘Doe dat en je zult leven!’ Ik moet spontaan aan Carola Rackete denken, de kapitein van de Sea Watch 3, die gevangen is genomen omdat zij vluchtelingen, mensenlevens, heeft gered. In wat voor een wereld leven wij, waar overheden onderzoeken of het mogelijk is het redden van migranten op zee strafbaar te stellen, en waar de meerderheid zwijgt als dit gebeurt? Doen wij dan niet hetzelfde als die priester en die lieviet?

Zo dichtbij is dat Woord van God dus, ook vandaag. ‘Doe dat en je zult leven!’

Tot lof van God!

Mensen van Uw Belofte: Ik ben

Vandaag een jaar geleden vierden Hanneke en ik voor het eerst in onze huiskapel. Het was en is een fijne plek om samen te vieren!

20181002_080707

Vanmorgen stond Genesis 28 centraal met het verhaal van Jakob. Jakob heeft zijn broer Esau de zegen ontnomen door bedrog. Vandaag in vers 10 – 22 lezen we hoe Jakob Berseba ontvlucht en op weg gaat naar Charan. Tijdens de slaap krijgt hij een droom:

‘Hij zag een ladder die op de aarde stond en helemaal tot de hemel reikte, en daarlangs zag hij Gods engelen omhoog gaan en afdalen. Ook zag hij de Heer bij zich staan, die zei: ‘Ik ben de Heer, de God van je voorvader Abraham en de God van Isaak. Het land waarop je nu ligt te slapen zal ik aan jou en je nakomelingen geven. Je zult zoveel nakomelingen krijgen als er stof op de aarde is; je gebied zal zich uitbreiden naar het westen en het oosten, naar het noorden en het zuiden. Alle volken op aarde zullen wensen zo gezegend te worden als jij en je nakomelingen. Ikzelf sta je terzijde, ik zal je overal beschermen, waar je ook heen gaat, en ik zal je naar dit land terugbrengen; ik zal je niet alleen laten tot ik gedaan heb wat ik je heb beloofd.’ (Gen. 28, 12-15)

En Jakob, vol ontzag, richt de steen op die hij als zijn hoofdsteun had gebruikt en wijdt hem. Hij geeft de plaats de naam Betel en legt daar een gelofte af:

‘Als God mij terzijde staat en mij op deze reis beschermt, als hij mij brood te eten geeft en kleren aan mijn lichaam, en als ik veilig terugkom bij mijn verwanten, dan zal de Heer mijn God zijn. Deze steen die ik gewijd heb, zal dan een huis van God worden. En ik beloof dat ik U dan een tienden deel zal afstaan van alles wat U mij geeft.’ (Gen. 28, 20-22)

God raakt Jakob aan en herhaalt de belofte die hij eerder aan Abraham heeft gedaan. En Jakob neemt de belofte aan. Hij gaat op weg met de belofte als het ware in zijn rugzak. Dat is wel even anders dan de zekerheid die wij vaak vragen! De ervaring van Jakob dat hij de Heer aan zijn zijde heeft is voldoende.

Als gesproken lied, want de melodie kenden wij niet, hoorden wij een prachtige tekst van René van Loenen:

Het eerste licht raakt Jakob aan:
Ik ben.
Er is een lange weg te gaan.
Maar waar geen reisgenoot meer is
behoudt één naam betekenis:
Ik ben.

De naam die afdaalt in de nacht:
Ik ben,
die in een droom op Jakob wacht.
Ik ben het woord dat naar u taalt,
u voorgaat en u achterhaalt,
Ik ben.

Hij is op deze plaats geweest:
Ik ben.
De schepping ademt nog zijn geest.
Zelfs in een steen weerklinkt zijn naam,
de kracht die mensen op doet staan:
Ik ben.

O onuitsprekelijk geheim,
Ik ben.
Wil ons ook tegenwoordig zijn.
Hoe ontzagwekkend is de plaats
waar Gij op ons te wachten staan.
Ik ben.

(Tekst van René van Loenen; Nieuw Liedboek 815)

Ook op ons staat Hij te wachten. Merken wij Hem op?

Dat wij open staan
en de deur van ons hart wijd open zetten
voor U, Die is.
En dat wij, als Jakob
op weg durven gaan
waarheen Gij ons gaan doet
als mensen van Uw Belofte:
Ik ben.

Vrede wens ik jou!

‘Als jullie een huis binnengaan, zeg dan eerst: Vrede voor dit huis! Als er een vredelievend mens woont, zal jullie vrede met hem zijn; zo niet, dan zal die vrede bij je terugkeren.’ (Lc. 10, 5-6)

Vrede
Wie wil deze niet?
Vrede wens ik jou!

Waar vrede is, daar is God onder ons, zijn Koninkrijk gekomen.
De praktijk is weerbarstig; verdeeldheid, wolven drijven ons uiteen.
En toch zijn wij geroepen tot vrede, door alles heen roept Hij ons.
Wees niet bang, ga maar, als een lammetje van God, onder de wolven.
Twee aan twee, zo zend de Heer ons uit; wij zijn aan elkaar gegeven!
Gewapend met lege handen en een vredegroet: Vrede wens ik jou!
En Gods vrede gaat nooit verloren, komt goed terecht of keert terug.

Vrede
Wie wil deze niet?
Vrede wens ik jou!

Een nieuw jasje

cropped-blogknipsel-1.jpg

De laatste maanden heb ik geen blogs geschreven. De studie theologie, de stage, tentamens en werkstukken vroegen veel van mijn tijd. De komende maanden is het vakantietijd en hoop ik weer aan bloggen toe te komen.

Maar eerst heb ik mijn blog in een nieuw jasje gestoken en ik hoop dat jullie die waarderen. Opbouwende reacties zijn welkom!

Op de foto bovenaan zie je, naast een portretfoto van mij, een foto van een beeldje van Agnes van Praag (en de andere Agnes van het Lam Gods). Deze is genomen in het Agnes-klooster te Praag. Als Feminae Pacis zijn we daar in mei op studiereis geweest, in de voetsporen van Agnes van Praag oftewel: Agnes van Bohemen. En dat is de Agnes waar Clara van Assisi brieven naar schreef. We hebben er (tot op heden) vier teruggevonden. Agnes van Praag was een claris die in de geschiedenis van Clara en haar zusters een prominente plaats inneemt en het was bijzonder daar te zijn.

Tot ziens op mijn blog! Ik ben er weer.

 

 

Wij staan er niet alleen voor

Stille Zaterdag sta ik stil bij de dag van gisteren en waak bij het graf van Jezus.

Jezus zag op naar de hemel en bad.
Hij sliep niet, nee
waar wij slapen daar waakte Hij.
Gekroond met een doornenkroon
spottend bedoeld, ja
Koning is Hij door alle lijden heen.
Hij waakt over heel zijn volk
en gaf zijn leven voor mij.
Het kruis gedragen,
Zijn kruis – ons kruis  door Hem
gedragen. Een zware klus.
Wij staan er niet alleen voor.
En nu zijn we stil
lamgeslagen
maar niet zonder hoop.
Ik kom terug, zo heeft Hij ons beloofd,
leven sterken dan de dood.
Wij staan er niet alleen voor.

Als een schaduw in Zijn licht

Wie ben ik in vergelijking met alle mensen?
Ik ben maar een mens één van de velen.
En toch zegt God: Ik hou van jou!
Ik ben Zijn geliefde kind.
Zo klein als ik ben, zo groot is Hij.

Wie ben ik in vergelijking met de engelen en heiligen?
Klein ben ik en als een schaduw.
De engelen en heiligen: zo groot, zo licht…
zij omringen mij, bescherming
en zegen om mij heen.
Wie ben ik?
God roept mij en vraagt mij te gaan
op weg, maar niet alleen.
Wat een hulptroepen om mij heen!

Zie hier hoe de Schepper
zorg draagt voor mij, zijn schepsel!
Wie ben ik dat Hij zo om mij geeft?
Wie ben ik dat U, God, mij zo lief hebt?
Als een schaduw in Zijn licht mag ik leven.
Hoe groot kan klein zijn!

Bij Geestelijke oefeningen 2e, 58 van Ignatius van Loyola: ‘ Wat beteken ik in vergelijking met alle mensen? Wat betekenen alle mensen vergeleken met alle engelen en heiligen in het paradijs? Wat betekent al het geschapene in vergelijking met God? En ik alleen, wie ben ik dan wel?.’  (Ignatius van Loyola, Geestelijke oefeningen,  Averbode 2018)